Feodaal

De Tour de France is de laatste dictatuur van West-Europa. Tegen alle beschavingstendenzen in prolongeren de organisatoren jaar na jaar de belofte van bloed, zweet en tranen. Het toebrengen van leed gebeurt volkomen straffeloos. Het volk onderwerpt zich niet alleen, het juicht voor deze karwats van god.

De Karadzic van de Tour is Jean-Marie Leblanc. Zoals de meeste mensen met een fluitje, duldt hij geen enkele tegenspraak. Leblanc spreekt niet, hij decreteert. De fluit van Leblanc staat in schril contrast met het muziekje van scheidsrechters op een voetbalveld. In het concert van John Blankenstein weerklinkt nog iets van hulpeloze liefde. Leblanc blaast op de tonen van macht en toorn. Het geluid wordt niet eens afgeblust door een pluralistisch syndicaat om hem heen: de Tour-directeur deelt niets, geen macht, geen twijfel, geen erbarmen. Presidentiëler dan de volgwagen van Leblanc kan het Elysée niet zijn.

De Tour blijft een merkwaardig anachronisme. Johan Cruijff - toch een magiër met buitenaardse trekjes - kon zijn wil niet meer opleggen aan wankele geesten als Romario en Stoitsjkov. Dacht u dat Litmanen en Kluivert nog een wedstrijd voor de Champions-League zouden spelen als ze in een hotelletje met twee sterren werden ondergebracht? Zelfs Boebka wil de polsstok niet meer ter hand nemen als op de piste geen knalrode Ferrari staat te blinken. Wielrenners in de Tour pikken alles en vragen niets, geen luxe, geen vrijheid, geen warm bad. Enkele jaren geleden werd Miguel Indurain nog te slapen gelegd in een krot met een neonlichtje en een gemeenschappelijke douche. El hombre amarillo zweeg en knikte dat het goed was. Desnoods ging hij gestrekt op een strijkplank. Zo is het nog steeds. De trotse Spanjaard ligt 's avonds na een bergetappe even goed in een grauwe stoomketel van Campanille als Peter Farazijn en Andrei Tsjmil. Airco-luchtjes blijven voorbehouden voor de Tourbazen, hun vrienden en maîtresses. In de Tour is nog nooit een democraat langs gekomen.

Het incasseringsvermogen van Indurain, Chiapucci en andere Pantani's om vernederingen te doorstaan is even legendarisch als hun klimtalent. De status van vedette bestaat alleen in de wedstrijd. Voor en na de koers ademen wielrenners de uniforme nederigheid van dwangarbeiders, van voetvolk. Het hele peloton is dan, zonder onderscheid in rang en stand, geketend door het verlorene van de afgewezen minnaar. Laurent Fignon - Monsieur Citron - zei het ooit zo: “Voor de égards die een coureur buiten de wedstrijd te beurt vallen, binden ze bij het vreemdelingenlegioen niet eens de schoenen aan.”

Vanwaar toch die feodale treurnis over het peloton? Komt het omdat wielrenners meestal jongens van het platteland zijn? Splintert het gevoel voor zelfrespect en minimale etiquette keer op keer in het barbaarse gevecht tegen de elementen en in de slopende monotonie van de pedaaltred? Misschien zijn de renners wel te veel met de eeuwigheid bezig en sluiten ze, in de ban van het uitgestelde geluk, de ogen voor een dagelijkse portie waardigheid. Toch moet er ooit een Jeanne d'Arc te vinden zijn die het democratisch delict van de Tour wegranselt. Bernard Hinault vertoonde in zijn gloriejaren vonken van opstandigheid, maar zijn sociale drift bleef ondergeschikt aan de sportieve ambities. Merckx en Zoetemelk weten vandaag nog niet dat socialisten ook mensen zijn.

Miguel Indurain ontroert door zijn marmeren kilte. Zoals hij dagelijks met de gele trui op het podium staat laat de toekomstige Tourwinnaar zien dat hij in deze triomfdagen nog steeds van zichzelf is. Meer dan een grimas van beleefdheid beweegt er niet in het gebeitelde gezicht. Met een blik van 'dansen doe je in de bergen, niet op een podium en lachen doe ik thuis wel, voor Marissa, niet voor meneer Leblanc', kijkt hij naar een horizon achter het volk waar kristallen paarden lopen. Zo hoort het, want uiteindelijk zijn de prestaties die hij neerzet ook van hem alleen.

Eén keer had ik in deze Tour van Miguel een mens willen maken. Nadat hij in Luik door de lepe Bruyneel zo schandelijk in de spurt werd geklopt had ik gehoopt op een vuistslag. Perfect geplaatst, precies tussen de ogen van de laffe Belg. Maar Indurain nam een slokje uit zijn bidon en keek niet eens meer om. Doodjammer. Een straatgevecht had het begin kunnen zijn van een sociale revolte, waar het Tourcircus zo'n nood aan heeft.