Een aanlokkelijk namaakstrandje; Luxemburg en de kunst van het leven

Het Luxemburgse paviljoen op de Biennale van Venetië lijkt een verbeelding van de zorgeloze werkelijkheid in dat land. Ligstoelen van het goedkoopste soort zijn in een rommelige formatie op een namaakstrandje neergezet. De bezoekers maken er gretig gebruik van en kunnen genieten van de verbijsterde gezichten van de nieuwkomers die hier de nieuwste Luxemburgse beeldende kunst dachten te aanschouwen.

In de talloze verslagen die ik sinds de opening, nu een maand geleden, over de honderdjarige Biennale in Venetië heb gelezen, wordt met geen woord gerept over Luxemburg. Dat is jammer. Het paviljoen van het Groothertogdom ligt ingeklemd tussen dat van België en Nederland en heeft misschien wel de meest bescheiden verschijningsvorm van alle, bijna dertig landenpaviljoens in de lommerrijke Giardini.

Van buiten oogt 'Luxemburg' als een houten loods zonder enige opsmuk. De toegang in de blinde, witgeschilderde schutting - bij nader inzien heeft de loods geen dak - bestaat uit een kale, eveneens witgeschilderde deur. Misschien bleef Luxemburg tot nu toe zo onopgemerkt omdat het volstrekt pretentieloze en een beetje weggedrukte bouwwerkje van enige afstand eerder de indruk wekt van een tijdelijke toiletvoorziening dan van een onderkomen waar een land vol trots zijn meest vooraanstaande moderne kunst tentoonstelt.

Wie de kale deur openmaakt en Luxemburg binnenstapt, komt terecht aan de rand van een zonnebadtafereel: ligstoelen van het goedkoopste soort - een gekleurde canvas lap gehangen in een inklapbaar, houten staketsel - zijn in een rommelige formatie op een namaakstrandje neergezet. De enige discipline die in de opstelling valt te ontdekken is dat de stoelen met hun voorkant min of meer naar de ingang van het paviljoen zijn gericht. De bezoeker die drie treden boven de zonnekuil in de open lucht binnenkomt, ziet de ligstoelzitters dus nooit van achteren, en omgekeerd.

Vooral de ontdekking dat de inhoud van het Luxemburgse paviljoen uitsluitend bestaat uit een verzameling uitnodigende ligstoelen - het strandtoneel is niet, zoals je zou denken, het voorportaal van een echte kunstexpositie - is oorzaak van de nodige verwarring. Aangename verwarring, want de eerste gissing naar de betekenis van deze frivole presentatie - of 'de boodschap' zo men wil - gaat natuurlijk in de richting van een uiting van ongekend Luxemburgs relativisme, of misschien wel nihilisme. Zelfs de gedachte aan een Luxemburgse versie van een soort Wim T. Schippers-humor valt niet te onderdrukken. Schippers ontwierp ooit voor een Wereldtentoonstelling een Nederlands paviljoen waar hij de Franse vlag op liet wapperen en in het interieur mochten uitsluitend Franse kazen en Franse wijnen worden tentoongesteld. Op deze manier wilde hij de betrekkelijkheid aantonen van begrippen als chauvinisme en nationale trots. Een dergelijke originele geest moest nu bezit hebben genomen van het Luxemburgse paviljoen op de Biennale 1995.

Voortrekkersland

De voorgeschiedenis moet ongeveer als volgt zijn verlopen. Wat betreft moderne beeldende kunst ligt de gedachte aan Luxemburg als voortrekkersland niet onmiddellijk voor de hand. Dat besef moet in de culturele leiding van het Grand-Duché zijn doorgedrongen, vandaar dat het Groothertogdom de Biennale heeft aangegrepen om onomwonden de kunst te exposeren die Luxemburg als geen ander land heeft ontwikkeld en tot grote hoogte heeft gebracht: de kunst van het leven. De ligstoelen symboliseren het dolce far niente en geven door hun aanlokkelijke aanwezigheid bovendien commentaar op de overstelpende hoeveelheid moderne kunst die nu overal in Venetië moet worden bekeken, bestudeerd, gewikt en gewogen. In Luxemburg hoeft niemand zich in te spannen, is het niet nodig om te studeren, te wikken, te wegen of te oordelen. Hier bekomt men in een ligstoel van de kunstzinnige overdaad. En wat er hooguit wordt bekeken is de medemens die in verwarring binnenkomt of zich in een ligstoel heeft neergevlijd of plompverloren heeft laten vallen - afhankelijk van het postuur - waardoor de Luxemburgse presentatie warempel ook nog aansluit bij het thema dat de Biennale van de Franse curator, de directeur van het Parijse Musée Picasso, Jean Clair heeft meegekregen, namelijk Identità e Alterità (De identiteit en het anderszijn).

Zelfs aan de ondertitel appelleert de inrichting van het Luxemburgse paviljoen. Deze luidt Forms of the body 1895-1995 en iedereen met ligstoel-ervaring weet hoe onthullend de hulpeloze stand van het lichaam in zo'n stoel kan zijn, vooral in de laagste stand. Hoewel je als bezoeker van Luxemburg de vrijheid hebt om de ligstoel op de gewenste hoogte te zetten, maken maar weinig bezoekers van deze vrijheid gebruik. En het personeel heeft duidelijk de instructie om de laagste stand als standaardhoogte aan te houden, hetgeen betekent dat de collectie 'forms of the body' hier een permanent wisselend en zeer uiteenlopend karakter heeft gekregen.

Het hoeft geen betoog dat nergens op de Biennale de stemming zo ontspannen, zo vrolijk is als in het paviljoen van Luxemburg. Van de ligstoelen wordt gretig gebruik gemaakt en onder de tevreden ligstoelzitters, de ontdekkers en verse kenners van Luxemburg, is het natuurlijk een dankbare sport om de verbijstering op de gezichten te zien van de nieuwkomers die hier binnentreden in de verwachting het allernieuwste van de Luxemburgse beeldende kunst te aanschouwen.

Rietveld

Vlak naast Luxemburg werd een paar dagen voor de officiële opening van de Biennale door staatssecretaris Aad Nuis het gerestaureerde Nederlandse paviljoen (Gerrit Rietveld, 1954) heropend met een redevoering en het hijsen van de Nederlandse vlag. Een groot deel van de culturele ambtelijke top was aanwezig bij deze plechtigheid die natuurlijk nog een feestelijk staartje had in een Venetiaans restaurant. Vijf minuten voordat de staatssecretaris aan zijn speech begon was het vlaggekoord nog niet gearriveerd en de licht mousserende witte wijn - prosecco - waarmee elke officiële handeling op de Biennale moet worden beklonken, heeft het Nederlandse paviljoen nooit bereikt. Maar verder verliep alles op rolletjes en gedroeg iedereen zich voorbeeldig.

Er was een kleine wanklank. De leisure-kledij van onze hoogste culturele ambtenaar, Jan Riezenkamp, kon soms luid hoorbaar op misprijzen rekenen, vooral omdat hij zich uitgerekend tijdens de officiële opening zo had menen te moeten uitdossen. Terwijl staatssecretaris Nuis gehuld bleef in een donker, double-breasted pak, had Riezenkamp zich in zijn kledingkeuze laten leiden door het warme weer. Hij droeg een mini-versie van de korte broek die met brede, gekleurde bretels over een smoezelig wit T-shirt omhoog werd gehouden. Met op zijn hoofd een formidabele zonneklep en op zijn rug een vormeloos zakje leek hij op een opgeruimd mannetje uit een vakantiefolder. Zo hoorde hij de openingsredevoeringen aan en zo liet hij zich rondleiden door het hernieuwde paviljoen. 'Een beschamende vertoning' en 'geen stijl', waren de woorden die hier en daar konden worden opgevangen.

Wat echter niemand doorzag was dat Riezenkamp zich in een transformatie à la Wim T. Schippers had begeven - in wezen is de hoogste culturele ambtenaar van ons land zelf een kunstenaar. Om de betrekkelijkheid van het chauvinisme en de nationale trots aan te tonen, had hij zich eerder op het naburige Luxemburgse paviljoen gekleed dan op het stijlvolle, esthetisch volmaakt herziene Rietveld-paviljoen. Met deze uiterlijke tegendraadsheid opponeerde hij tegen de stemming van zelfgenoegzaamheid waaraan de Nederlandse delegatie op de openingsdagen van de Biennale onmiskenbaar ten prooi was gevallen. Ik geloof niet dat zijn kleine verzetsdaad, die ook kan worden gezien als een eerbetoon aan de Europese eenwording, door veel vertegenwoordigers van de in Venetië aanwezige culturele elite als zodanig is opgevat. Het verband werd mij ook pas duidelijk toen ik Luxemburg had bezocht. Een tiental meters naast het Nederlands paviljoen detoneerde Jan Riezenkamp ineens niet meer; integendeel, in zijn luchtige outfit leek hij in Luxemburg voor de hier gevierde kunst van het leven geschapen.

Zonnebadtoneel

Tot lang na terugkeer in Nederland heb ik gelukkig in de illusie geleefd dat Luxemburg in de Giardini in Venetië een schaamteloze verbeelding was van de zorgeloze werkelijkheid in dit land. Tot ik een dezer warme dagen nog eens door de catalogus van de 46ste Biennale bladerde en tot mijn teleurstelling ontdekte dat de inrichting van het Luxemburgse paviljoen in zijn geheel een installatie is van een kunstenaar. Bert Theis (Luxemburg, 1952) heeft het zonnebadtoneel van hout en staal bedacht en in elkaar gezet - en de onbegrijpelijke titel Potemkine Lock gegeven - om de subjectieve rol van de toeschouwer van een kunstwerk op de proef te stellen.

In de begeleidende, niet altijd doorzichtige tekst staat dat Theis zich liet inspireren door de constructivistische kunstenaar die zich in 1922 afvroeg: 'Gaat de zon onder om esthetische redenen?'. Zelf heeft Theis meegemaakt dat op het Griekse eiland Santorini een groep toeristen begon te applaudiseren toen de zon magistraal achter de horizon zakte. Dat heeft hem aan het denken gezet over de rol van het kunstwerk en de beschouwer. En voor het Luxemburgse paviljoen wilde hij een installatie ontwerpen waarmee die rollen door elkaar worden gehaald volgens het welbekende principe: wie kijkt er naar wie? Zodra de bezoeker van Luxemburg in een ligstoel gaat zitten is hij onderdeel van het kunstwerk waar de zojuist binnengetreden toeschouwer oog in oog mee staat. Wij observeren de kunst en de kunst observeert ons, zo luidt de boodschap die Theis - modieus onder het aanroepen van Marcel Duchamp - met zijn installatie in het Luxemburgse paviljoen verkondigt.

In werkelijkheid is er gelukkig niets van die boodschap te merken en is het juist het ontbreken van de kunst waardoor 'Luxemburg' op de Biennale zo'n ontspannen, verademende indruk maakt. Tijdens de openingsdagen heeft Jan Riezenkamp die verademing, die Luxemburgse zorgeloosheid in zijn eentje gestalte proberen te geven. Het overgrote deel van de culturele gezagsdragers heeft in die drukke tijd Luxemburg links - letterlijk - laten liggen. Daarom is het niet verwonderlijk dat de act van de hoogste culturele ambtenaar van Nederland onder de Venetiaanse zon zo pijnlijk onbegrepen is gebleven.