De weg naar Rome

Waar het pad naar beneden loopt en de berm omhoog, ligt de grens. Vroeger dacht ik dat er om heel Nederland een hek zat. Of een lijn van paaltjes met vlaggetjes en overal in kleine huisjes meneren met petten. Maar nee, ik sta nu met mijn ene wiel in Nederland en met mijn andere in België en niemand die vraagt of ik wel een paspoort heb.

Links lichten de heuvels groengeel op. Het koolzaad heeft hier de kleur van het zwaaistaafje dat ik eens op een kermis kreeg en later weg moest gooien omdat er gevaarlijke straling uitkwam. Achter de aardbeienvelden zie ik beneden in de bocht de toren van het kasteel met de waterlelievijvers.

Op de rand van de inham, onder de dikke boom, hangt Jezus aan het kruis. Hij hangt niet alleen hier, maar ook achter me op de bergweg naar de Peul en langs de weg van Noorbeek naar Slenaken. Wegkruisen en kapelletjes moeten de dorpen beschermen. En dat doen ze ook, zeggen de bewoners. Want wat er hier ook voor vreselijks gebeurde, altijd greep er wel een heilige in. En anders kwam de pastoor wel om een kruis te plaatsen dat het onheil zou verjagen. De rondzwevende Witte Juffrouw boven de Voer, de Weerwolf van de Greb, de zwarte kat met alleen een linker oog die regelmatig in een oud vrouwtje veranderde. Door de kruisjes blijven ze weg. Sommige zijn al zo oud als deze weg naar Rome. Want ik rij nu op dezelfde weg waarover de pelgrims van Nijmegen, via Maastricht, Trier en Straatsburg naar het zuiden trokken. Bij iedere bocht begint een nieuw verhaal.

Over de Vuurman, de geest in een mensenlijf waar de vlammen uitsloegen. Als je tegen hem praatte, rende hij je achterna. Eén keer de grens over met Jefke mee, helemaal tot in Margraten. Die kon nèt op tijd zijn tuinpoort dichtslaan. In het hout van het deurtje staat nu nog een zwartgeblakerde hand. De Vuurmaan van gen Wientsjeshei. Vanaf de dag waarop het wegkruis bij de stenen bank werd gezet, is hij niet meer gezien. Moordduiiëvel, Hellebrend zoonder lip en zoonder taand kom oet, hie ben ich! Wie dat vóór die plaats toch durft te roepen is een HELD zeggen ze in Voeren.

Het verhaal over het Sint Annakapelke begint bij Pepijn de Korte. Hij had hier in de middeleeuwen zijn kroondomein èn zijn vriendin Bertha. Cleyne Ceuning, guje man, bracht hie et beeldje van Sintan, weten de dorpsbewoners. Want toen Pepijn merkte dat de buik van zijn Bertha wel erg dik werd, liet hij tegen de heilige Voereboom een Sint Annabeeldje plaatsen. Anna was de heilige van de aanstaande moeders. Het hielp en het rijmt: Sinte Anna vol midelije sou Pepijnis frouw verblije. Des kreeg moed en hoop int hert, baarde Karel sonder schmert. Die zoon was Karel de Grote. Hij liet later om het beeld de kapel bouwen.

Tegenover diezelfde kapel sloeg ruim tien eeuwen later het Pruisische leger de tenten op. Het was op weg naar Waterloo om Napoleon de genadeslag toe te brengen. Toen de generaal de volgende morgen opstond, seinde het kruis in de kapel gouden stralen. En zo wisten de soldaten toen heel zeker dat zij de veldslag zouden gaan winnen.

Bovenop de heuvel kijk ik over de Voerstreek. Rechts beweegt de horizon. Wielrenners schuiven hem naar de berg-etappes van de Ardennen. In de berm van de holle weg staat de heilige kastanjeboom. Uit de bast steken honderden roestige knobbeltjes. Wie kiespijn heeft moet een spijker langs zijn wang wrijven en hem daarna in de stam slaan. De boom neemt de pijn dan over.

Het is stil op de weg, heel stil. De vogels boven mij willen hun rijpe aardbeien niet kwijt. Zelfs de koekoek en zijn echo in het bos van Schophem zwijgen. Bij de stenen bank kijk ik om. Niemand te zien. Ook de Vuurman niet. Zal ik het eens roepen? Ja? Ik doe het: Moordduiiëvel, Hellebrend, zoonder lip en zoonder taand, kom oet, hie ben ich! Ik luister. Doodse stilte. Misschien heb ik het niet goed uitgesproken. Ik probeer het nog een keer: kom oet, hi ben ich! .... Ineens kraakt er iets achter mij. Een tak? Nee, het klinkt harder. Alsof er iemand door de bruine dode heg breekt. Ik wacht niet. Ik flits weg. Pas bij de hoge poort van de eerste boerderij durf ik om te kijken. Niets, niemand. In de verte slaat de torenklok van 's-Gravenvoeren drie keer. Achter het schrikhek zetten vijf schapen het op een lopen. Ergens in een schuur schreeuwen biggen. Ik race verder, zo hard mijn rolstoel kan.

Een paar minuten later hijg ik het dorp binnen. Niemand kijkt op of om. Ach, een echte volksheld hoeft ook geen applaus. Maar dan springt er op de hoek van de Mennekesput plotseling een zwarte kat op mijn schoot. Ik aai hem over zijn rug. Met een sprong zit hij op mijn schouder. Maar verder meerijden wil hij niet. Ik voel hoe hij zich afzet. Pas als ik hem om de hoek van de Pley zie verdwijnen, bedenk ik me dat ik alleen zijn linkeroog heb gezien.