De vilder kwam en zei deez' hinde is bezeten! Bloemlezing uit het Franse lied door de eeuwen heen

Het lied behoorde ooit tot de cultuur van de armen. Sinds de radio en de walkman luistert het volk naar de professionals. Onlangs verscheen een bloemlezing van de Franse liederenschat door de eeuwen heen, compleet met partituren en met veertien cd's waarop een deel van de collectie is vastgelegd. Ernst van Altena bladerde door het ruim negenhonderd bladzijden tellende boek en vertaalde enkele van de opmerkelijkste teksten.

Anthologie de la chanson Française (La Tradition) par Marc Robine, préface de Michel Ragon. Editions Albin Michel.

'Hilversum-3 bestond nog niet,' zong Herman van Veen in een lied dat de teloorgang van het zèlf zingen hekelde. Sinds elke bouwvakker zijn martelwerktuig de ghettoblaster met zich meevoert is het gedaan met de zingende bouwvakker en ook op lagere scholen wordt weinig meer gezongen.

In de jaren van de wederopbouw na 1945 had mijn vader op de bouwplaats nog de bijnaam 'Caruso' en ten pleziere van zijn collega's zong hij een breed repertoire met liederen van Dirk Witte, Pisuisse, Emiel Hullebroeck, Louis Davids en Manna de Wijs-Mouton. Zijn socialistische koorrepertoire was gereserveerd voor thuis, dat hoorden opdrachtgevers niet graag.

Welk gezelschap van mensen onder de vijftig kan nu nog in samenzang gaan met de liedjes uit 'Jan Pierewiet' of 'Kun je nog zingen, zing dan mee'? Een gehele subcultuur is opgevreten door de moderne media die de mens van actief tot passief hebben gemaakt. Wellicht klinkt dit cultuurpessimistisch, maar daarom is het nog niet minder waar.

In zijn inleiding bij Marc Robine's bloemlezing uit het Franse lied door de eeuwen heen, zegt Michel Ragon het zo: 'We zijn nog maar met enkele overlevenden die een tijd gekend hebben waarin de arbeiders zingend naar het werk gingen, waarin de metselaars zongen op hun steigers, waarin de ossedrijvers galmend hun span ossen met de prikstok voortdreven, waarin de vrouwen vocaliseerden bij het uithangen van hun wasgoed. Bruiloftsgasten zongen toen (om de beurt) een lied. Kinderen zingzegden hun aftelversjes naar elkaar. En in de steden kwam je op straathoeken samenscholingen van baliekluivers tegen die, met een geïllustreerd tekstboekje in de hand, oefenden op het neuriën van het nieuwe lied dat de straataccordeonist hen zojuist geleerd had. Er werd gezongen in de cafés, er werd gezongen in de gevangenissen. Het lied was de cultuur van de armen en hun natuurlijke uitdrukkingsmiddel, hun wijze van zich herinneren, van kritiek leveren. De verliefde meisjes zongen (de verliefde jongens ook). De anarchisten zongen (Het Dynamiet, De Zuivering). De wereld was toen vol liedjes voor liefhebbers en vol liefhebbers van het lied.

Radio, televisie, walkman, hebben het volk doen verstommen. Het volk luistert nu naar de professionals. Het volk luistert en verbijt zich. Welnu, een volk dat niet meer zingt is een volk dat verzinkt, een radeloos volk.'

Hoe fraai dat ook klinkt, er passen toch enkele kanttekeningen bij. Het lied moge de cultuur vàn de armen geweest zijn, het was niet de cultuur dòòr de armen. De makers van teksten en muziek behoorden tot in de achttiende eeuw tot de bovenklasse. Zo het zelf al geen vorsten of adellijken waren, waren het wel hovelingen die voor hun scheppende arbeid betaald werden. En ook in de negentiende eeuw waren het de 'professionals' die voor het materiaal zorgden dat het volk overnam en tot zijn cultuur maakte.

Om te voorkomen dat de deur van de schatkamer van die Franse volkscultuur voorgoed dicht zou vallen, heeft Marc Robine de leiding op zich genomen van het titanenproject een bloemlezing van meer dan negenhonderd pagina's uit de Franse liederschat door de eeuwen heen samen te stellen, met alle partituren van de opgenomen teksten en met veertien cd's waarop een deel van de collectie smaakvol is vastgelegd. Het boek beslaat de periode die begint rond de wisseling van de twaalfde naar de dertiende eeuw in Noord Frankrijk en eindigt bij de komst van de eerste geluidsdragers aan het begin van onze eeuw. Het gaat daarbij niet om een overzicht van de gehéle Franse volksliedcultuur, want de samensteller wijst er ten overvloede op dat binnen Frankrijks grenzen duizenden liedjes ontstaan zijn in buiten beschouwing gelaten streektalen: Occitaans, Bretons, Baskisch, Vlaams, Corsicaans, Lotharings...

Richard Leeuwenhart

De selectie begint bij de 'trouvères', de Noordfranse dichter-componisten uit het begin van de dertiende eeuw, de directe navolgers van de Zuidfranse 'trobador' uit Occitanië (Languedoc, Provence, Catalonië). Het is een in ons land wijd verbreid misverstand dat deze 'troubadours' rondtrekkende minnestrelen waren, een soort straatzangers avant la lettre. Niets is minder waar, de oudst bekende trobador was Willem IX van Aquitanië, een machtig vorst. Een van de eerste trouvères was een kleine eeuw later diens kleinzoon Richard Leeuwenhart.

Trobador en trouvères bestempelden zichzelf als de 'vinders' van teksten in de volkstaal. Zij waren de eersten die hun teksten signeerden, alle poëzie in de volkstaal van voor hun tijd is anoniem. Het zingen en verspreiden van hun werk lieten ze over aan de 'joglar' of 'jongleurs', rondtrekkende artiesten die misschien ook jongleerden, maar vooral musiceerden, zongen en de lange winteravonden in de burchten opvrolijkten met hun - niet zelden scabreuze - voordrachten.

Ze waren de voorlopers van een wereld die door Marc Robine als volgt beschreven wordt: 'De vraag blijft hoe deze liedjes zich zo hebben kunnen verspreiden en zoveel evoluties hebben kunnen ondergaan, vaak als gevolg van een bijzondere geografische of sociale context. Het antwoord is in twee woorden te geven: de reizigers. Marskramers die naast hun andere waar ook rijmprenten, almanakken en vlugschriften met de nieuwste liedteksten verkochten. Gezellen op hun gildereis, zeelui die van haven naar haven trokken, binnenschippers die de rivieren volgden, soldaten die soms het hele land doorkruisten om zich bij hun regiment te voegen of eindelijk naar huis terug te keren, seizoenarbeiders die zich in andere streken dan de hunne gingen verhuren, landlopers, rondzwervende bedelaars, enz. Zij allen spelen, elk op eigen wijze, een essentiële rol in het rondgaan van nieuws, nieuwtjes en liedjes. Want die zo uiteenlopende mensen namen overal waar ze gingen iets van hun oorspronkelijke cultuur mee en brachten, met hun herinneringen, nieuwe ideeën, andere bekwaamheden, onbekende technieken, nieuwe modes en zeker ook liedjes mee naar huis terug. Liedjes die de best denkbare foto's zijn van de maatschappij in elk stadium van haar evolutie en die ons helpen de geschiedenis en de sociologie even goed, zo niet beter, te begrijpen als uit de meeste geleerde verhandelingen.'

Kruisbanier

Van die oudste trouvères is er in de bundel maar één opgenomen: Thibaut de Champagne (1201-1253), Graaf van Champagne en Brie en vanaf 1234 Koning van Navarra. De bloemlezing begint met een oproep tot kruisvaart, waarschijnlijk in 1238 geschreven, toen Thibaut een zevende kruisvaart wilde organiseren: Heren, wie niet naar de overkant/ trekt met de kruisbanier naar 't land/ waar God eens leefde en moest sterven/ zal nooit het Paradijs beerven... (Seigneurs, sachiez qui or ne s'en ira/ En cele terre ou Dieu fut morz et vis/ Et ki la croiz d'Outremer ne prendra/ A paines mès ira en Paradis).

Nog een tweede lied van zijn hand is opgenomen, een voor de troubadours kenmerkende 'hoofse' minneklacht, maar dan gaat de bloemlezing met grote stappen door de late Middeleeuwen, om in de vijftiende eeuw te belanden met het in vele versies bestaande lied 'Margarethe of de onschuldige hinde', waarvan de oerversie uit Bretagne stamt: een dochter is overdag gewoon een meisje, maar dwaalt 's nachts in de gedaante van een hinde over de heide. Haar broer, een verwoed jager, schiet haar op een nacht neer en brengt haar naar de vilder. Het lied gaat dan verder: De vilder kwam en zei deez' hinde is bezeten! Haar lokken zijn als zij haar borstjes als van Grethe! En met een bijl heeft hij haar toen in vier gespleten.

Als de hinde wordt opgediend, informeert broerjager naar zijn zusje. Dan volgt een Heer Halewijn-achtig slot: Ik was hier eer dan gij mijn herte zult ge eten! Mijn hoofd is een pastei mijn vlees aan 't spit gespleten. Mijn maagdebloed daarbij gespreid in volle breedte... Mijn arme beend'ren zijn op 't roostervuur gesmeten!(Celui qui la dépouille/ Dit: 'je ne sais que dire.../ Elle a les cheveux blonds/ Et le sein d'une fille!'/ A tiré son couteau:/ En quartiers il l'a mise./ En ont fait un diner/ Aux barons et aux princes:/ 'Nous voici tous assis;/ Faut ma soeur Marguerite!'//'Vous n'avez qu'à manger,/ Ma tête est dans la plat/ Et mon coeur aux chevilles./Mon sang est répandu/ Par toute la cuisine/ Et sur les noirs charbons/ Mes povres os y grillent.')

De hele periode van de eerste troubadours tot de dichters van de 'Pléiade' wordt gekenmerkt door een orale cultuur: poëzie was er om voor te dragen en om te zingen, gelezen werd er weinig, er was veel analfabetisme. Een kunstmatige scheiding tussen poëzie en liedteksten bestond niet. Ook Pierre de Ronsard (1524-1585), Frankrijks grootste Renaissancedichter, schreef zijn teksten om gezongen te worden. De anthologie bevat twee gedichten van zijn hand, het befaamde Mijn lief, laat ons zien of de rozen... met de aansporing: 'Pluk, pluk daarom je jeugd op tijd', en het voor die tijd zo typerend erotisch getinte 'Quand au temple nous serons': Als wij in het Godshuis zijn Samen knielend voor de schrijn Doen wij vroom naar het exempel Van hen die tot eer van God Nederig 't hoofd er neigen tot 't Tabernakel van de Tempel. Maar zijn wij in 't slaapsalet Warm omstrengeld op het bed Dan doen wij wulps als de vele Minnaars die steeds vrank en vrij In hun dartele vrijerij Honderdvoudig strelen, spelen.(Quand au temple nous serons,/ Agenouillés nous ferons/ Les dévots selon la guise/ De ceux qui pour louer Dieu,/ Humbles se courbent au lieu/ Le plus sexret de l'église// Mais quand au lit nous serons,/ Entrelacés nous ferons/ Les lascifs selon les guises/ Des amants qui librement,/ Pratiquent folâtrement/ Dans les draps cent mignardises.) Een hoofdstuk wordt gewijd aan actuele commentaren op de geschiedenis, waarbij het er dikwijls stevig aan toegaat. De opportunistische staatsman Mazarin (1602-1661), Pauselijk nuntius in Parijs, kardinaal, eerste minister van de regente Anna van Oostenrijk en feitelijk alleenheerser over Frankrijk, wordt als volgt bezongen: Mazarin, vent zonder nut zegt: ik hou niet van de kut hij verkiest de kont de ondankbare hond Hij behaalde zijn gewin dankzij die der Koningin!(Mazarin, ce bougeron,/ dit qu'il n'aime pas les cons./ C'est un scélérat!/ C'est un bougre ingrat/ De les avoir en haine!/ Il n'eût jamais esté qu'un fat/ Sans celui de la Reyne.)

Madame de Pompadour, minnares van Lodewijk XV, benoemde haar vrienden op belangrijke posten. Zo ook Generaal de Soubise die in 1757 ondanks een grote troepenovermacht vernietigend verslagen werd, waarbij duizenden sneuvelden. Een aan haar gericht soldatenlied begint zo: Mevrouw, als 't u voldoende was dat onze koning op u valt dan - liefde is een vrouwenzaak - had u het niet bij ons vergald. Maar nu wilt u sinds kort, Mevrouw regeren over onze Staat en ik zeg u ronduit, Mevrouw dat iedereen u daarom haat!(Si vous vous contentiez, Madame,/ De rendre le roi fou de vous,/ l'Amour étant l'affaire des femmes,/ Nous n'aurions aucun courroux./ Mais depuis, quelque temps, Marquise,/ Vous voulez gouverner en tout:/ Laissez-moi dire avec franchise/ Que ce n'est pas de notre goût.)

Communards

Afgezien van de Marseillaise, bevat de bloemlezing weinig over de Franse Revolutie. De samenstellers veronderstellen waarschijnlijk het Ça Ira en La Madelon als nog voldoende bekend uit de Franse schoolboeken.

Met de negentiende-eeuwse romantiek verschijnen er bij de liedjes weer auteursnamen. Om te beginnen bij het omvangrijke oeuvre van dichter-zanger en Bonapartist Pierre-Jean de Béranger (1780-1857) die een grote populariteit kende en die om zijn politieke teksten enkele malen in de gevangenis verbleef. Maar het opmerkelijkste niet-politieke lied dat een grote politieke betekenis kreeg, is de 'evergreen' Le Temps des Cerises die in 1866 geschreven werd door Jean-Baptiste Clément op muziek van Antoine Renard. Het lied, dat romantisch preludeert op een mooiere toekomst, werd het lijflied van de Communards, de deelnemers aan de revolutiepoging van La Commune, in het voorjaar van 1871 in Parijs. Clément was zelf Communard en hij vlucht, als de revolutie mislukt, naar Engeland. Pas als hij tien jaar later naar huis terugkeert, beseft hij dat hij ongedacht een 'lied voor de eeuwigheid' heeft geschreven: Bezingen wij straks de tijd van de kersen dan fluiten de merel en de nachtegaal uitbundige zangen... Dan koest'ren de meisjes hun dwaze verlangen in minnende harten schijnt een zonnestraal. Bezingen wij straks de tijd van de kersen O hoor dán de merel en de nachtegaal!(Quand nous chanterons le temps des cerises/ Et gai rossignol et merle moqueur/ Seront tous en fête./ Les belles auront la folie en tête/ Et les amoureux du soleil au coeur./ Quand nous chanterons le temps des cerises/ Sifflera bien mieux le merle moqueur.) Naast de twee reeds met name genoemde volksliedzangers-dichters uit de negentiende eeuw, kan natuurlijk ook niet voorbijgegaan worden aan de namen van Léon Xanroff (1863-1957), de auteur van het beroemde 'Le Fiacre', en vooral aan Aristide Bruant (1851-1925), de grondlegger van het cabaret-littéraire op Montmartre, onbeschaamd geplagieerd door de Nederlander Eduard Jacobs (1868-1914), die van 1890-1894 in het Bruant-cabaret Le Chat Noir gewerkt had als begeleidingspianist, de grote man daar de kunst had afgekeken en beschouwd wordt als de grondlegger van het Nederlandse cabaret, dat zodoende gegroeid is aan de wijnstokken van de Butte Montmartre. Het Nederlandse volkslied was overigens ook in eerder eeuwen al niet weinig schatplichtig aan het Franse, want onze Drie Schuintamboers (Jeunes Tambours) en ons Malbroek (Malborough) stammen ook uit Franse bron.

Met geen mogelijkheid valt in een artikel als dit recht te doen aan een zo uitputtende uitgave. We hebben het nog niet gehad over de ruime verzameling klaagliederen, smartlappen, mirakelliederen, werkliederen en liedjes van de zee, dansdeuntjes, wiegeliedjes en liefdesliedjes, die Frankrijk ongetwijfeld bij tienduizenden kent en waarvan er in de bloemlezing slechts zesenveertig opgenomen zijn.

Het slothoofdstuk met eet-, drink- en slaapkamerliedjes brengt mij tot de enige kritische noot: gedronken en geslempt wordt er genoeg, maar de anthologie is wat preuts ten aanzien van het Franse patrimonium aan gewaagde chansons, waarvan ik er zo uit eigen geheugen honderd meer kan produceren dan het zestal dat hier opgenomen is.

Maar je kunt niet alles hebben. Vermeld mag worden dat op de veertien bij de verzameling behorende cd's uiterst bekwaam gemusiceerd en gezongen wordt door een keur van niet zo bekende studiozangers, waaronder alleen dichter-zanger-linguïst Pierre Perret een voor mij bekende naam is. Opvallend zijn de arrangementen, aangepast aan de stijlperiode van de teksten, van kromhoorn tot accordeon, al naar de époque.

De vraag is of het werk hier moet eindigen. Een aanvulling met het oeuvre uit de bijna voltooide twintigste eeuw, zou aanbevelenswaardig zijn, want ondanks de stelling dat er beter gearchiveerd zou zijn ná de komst van de geluidsdragers, meen ik toch dat veel waardevols tussen wal en schip gevallen is bij de overgang van 78 toeren naar lp en meer recent bij de komst van de cd. Voorbeelden te over van liedjes die voor transcriptie op cd niet 'commercieel' genoeg bleken. Er blijft werk aan de liederenwinkel.

En wat Nederland betreft, wie levert de subsidie voor zo'n omvangrijke archivering van óns patrimonium. Dat vissertje ging toch niet voor niets met 'zijn lijfstok en lapzak vissen op het loze molenarinnetje?'