Bemoederd, bevaderd, bevriend; Familieroman van Michael Cunningham

Michael Cunningham: Flesh and Blood. Uitg. Hamish Hamilton, 466 blz. Prijs ƒ 39,95

- : Bloedverwanten. Vert. Gerard Grafman. Uitg. Bert Bakker, 442 blz. Prijs ƒ 49,90.

Een familieroman die loopt van 1935 tot 1995, over Griekse immigranten in Amerika. Vier generaties. Het mag misschien niet iedereen even aanlokkelijk in de oren klinken, maar wie Michael Cunninghams tweede roman niet leest bezorgt zichzelf pech. Flesh and Blood is alweer zoveel beter dan zijn toch al fraaie debuutroman A Home at the End of the World (1992) dat over Cunningham beslist gesproken kan worden als een groot talent. Hij is van 1952, dus ongeveer tien jaar ouder dan de Brat Pack-auteurs als Bret Easton Ellis, Tama Janovitz, Jay McInerney en David Foster Wallace, en het lijkt wel of juist die tien jaar van doorslaggevende betekenis zijn in Cunninghams visie op de literatuur en de wereld.

Waar de Amerikaanse 'Generatie Nix' probeerde actuele en schokkende romans te schrijven over leeghoofdigheid, verveling, gedachteloze seks en drugs om de verveling te verdrijven, over rijkdom maar een volmaakt gebrek aan idealen, daar wil Cunningham ons vertellen dat er wel degelijk iets is om naar te streven in dit leven en dat weggevallen traditionele waarden en normen hun vervangers hebben voor wie dat graag wil. In menig opzicht staat Cunningham dicht bij de jongere David Leavitt, met zijn aandacht voor andere dan ouderwetse samenlevingsvormen, homoseksualiteit, het zoeken naar zorgzaamheid en liefde, én met zijn literaire kwaliteiten.

De vertaler maakte van de Nederlandse titel Bloedverwanten, wat goed de (be)klemmende banden aanduidt die of men wil of niet bestaan tussen de leden van een familie. Omdat twee belangrijke personages sterven aan aids is de titel bovendien bepaald navrant.

De stamvader van de familie Stassos is van een vooroorlogse, strenge, hardwerkende en sobere boerengeneratie. Zoon Constantine, geboren in de States, moet buigen onder zijn gezag - hij smokkelt in zijn mond aarde van het land van zijn vader mee om zelf op een piepklein plekje tomaten te kunnen kweken - maar als hij, getrouwd met een van oorsprong Italiaanse, eenmaal op eigen benen staat wordt hij snel rijk als enigszins gewetenloze zakenman, een bouwer van huizen in de 'klassieke' Amerikaanse stijl, maar dan gemaakt van volstrekt inferieure imitatiematerialen. Zijn vrouw Mary is een grijze muis, eentje die Cunningham haar grijsheid laat uitbrullen door details als kleptomanie, streven naar een perfect uiterlijk en omgangsvormen, en een zinnetje als 'ze had met goed gevolg haar cursus taartdecoratie doorlopen'. Het zinnetje valt oneindig achtelozer dan het hier lijkt. Hun drie kinderen, Billy, Susan en Zoe, zijn ondanks hun gemeenschappelijke achtergrond heel verschillend en zoeken of treffen ieder hun eigen weg. Susan is de voorbeeldige; ze is mooi en niet dom, trouwt met een veelbelovende Yalestudent, woont in een authentiek oud huis en krijgt een volmaakte zoon, Ben. De magere Billy met zijn pukkelprobleem is homo en vindt pas rust en een vriend als hij zich voldoende heeft afgezet tegen zijn macho-vader, en door bodybuilding zijn onzekerheid van zich af heeft gewerkt. Zusje Zoe is eigenaardig, ze zit het liefst in een boomkruin. Als ze ouder en alleenstaande moeder is zoekt ze het junglegevoel in de ruigere bars van New York City, waarbij ze een fantastische vriendin opdoet in de vorm van de travestiet Cassandra die in de hele roman een sterke rol speelt. Ze bemoedert Zoe en haar halfbloedzoontje Jamal, ze bevadert, bevriendt; in haar eentje is zij een hele familie.

Het wilde leven van Cassandra en Zoe eist echter zijn tol: beiden doen het HIV-virus op. Níet Billy, met zijn voorzichtige seksexperimenten en later zijn kalme, betrouwbare vriend. In 1995 blijkt dat Harry en Billy de zorg voor hun neefje Jamal op zich hebben genomen, en met succes een echte familievader van hem weten te maken. Met het zo glanzend begonnen leven van neefje Ben is het akeliger afgelopen: hij verdrinkt tijdens een wilde tocht op de te grote zeilboot die zijn te trotse grootvader hem gaf.

Zo, in grote lijnen, mag Cunningham beschuldigd worden van al te ongenuanceerde typeringen, voorspelbare oorzaken en gevolgen. Bij voorbeeld hebben alle Italiaanse neefjes van de kleptomane Mary al eens de jeugdgevangenis van binnen gezien. En toch schuilt Cunninghams kracht juist in de nuances, de details en goedgerichte observaties. Het fascinerendste aan Flesh and Blood is de combinatie van een breed uitgesponnen verhaal met puntige, kernachtige formuleringen. Cunningham verliest zich niet in zijn generaties omspannende familieroman; met korte, veelzeggende kleine zinnetjes houdt hij knap de lezer gespannen en alert. Een roman van zo'n 450 bladzijden waarin tal van zinnen staan die je gauw even herleest omdat ze zo mooi of treffend zijn, dat is in deze tijd van overdreven dikke Amerikaanse romans een weldaad. De schrijver koos voor een eenvoudige, heldere opbouw - chronologisch, en alle personages komen vaak genoeg aan bod.

Bij de dialogen springen vooral die van Cassandra er uit, zij is geestig, cynisch, streetwise en huiselijk tegelijkertijd. Zij/hij doet vaak denken aan de tedere reus Roberta, de geestige transseksueel in The World According to Garp. “Ik mag dan een sprookjes-petemoei zijn, maar ik kan ook een Medea zijn,” zegt Cassandra ergens dreigend tegen moeder Mary, met wie ze dameslunches heeft in een chic restaurantje, waar ze elkaar tips geven over kleding en make-up zoals het 's nachts in de diepvriezer leggen van slip en bh als het erg warm is.

Alle familieleden, ook de 'kouwe kant', hebben hun 'rats inside the walls'. Susan is al te liefdevol benaderd door haar vader - wat ze hem in een weergaloze scène op de begrafenis van haar zoontje betaald zet - Billy is door hem geslagen en neemt op kinderachtige wijze wraak bij zijn afstuderen, lelijke Zoe neemt veel te veel drugs, perfecte Ben, de enige 'goede draad uit de familiekluwen', heeft ook verwijfde trekjes, en de 'boat of flesh' Magda, een Hongaarse met wie Constantine hertrouwt, heeft geen smaak en is in alles mateloos. 'Magda was vijftig pond of meer te zwaar om nog 'weelderig' te kunnen worden genoemd en ze maakte een zacht, snuivend geluid als ze zat te eten; het moest iets te maken hebben met haar neus- en voorhoofdsholten, alsof die niet helemaal op elkaar aansloten als ze haar kaken bewoog, zodat ze met voorzichtig gesnuif weer wat in lijn moesten worden gebracht.'

Flesh and Blood is zo'n boek dat je na 466 pagina's met spijt dichtslaat omdat het afgelopen is.