Zicht op de Nederlandse uitvaartcultuur; In het Museum van de dood

De dood - sterven, begraven, cremeren, rouwen - keert meer en meer terug in het dagelijks leven. Steeds vaker willen mensen persoonlijk afscheid nemen van een overledene, zelf het stoffelijk overschot van een naaste afleggen, of met broers en zusters de kist naar het graf dragen. Er ontstaan nieuwe rites rond de uitvaart: nabestaanden dragen bijvoorbeeld as van de gecremeerde met zich mee in een klein medaillon, een kruisje vaak, of bewaren de as in een kunstzinnig vormgegeven urn.

Aankondiging Openbare Rouw, t/m 31 okt in de grote benedenzaal van het Nationaal Rijtuigmuseum, Nienoord 1, Leek. Ma t/m za 9-17u, zo 13-17u. Inl 05945-12260. Na 31 okt hoopt het NUM elders een onderkomen gevonden te hebben.

De opening van het Nederlands Uitvaartmuseum (NUM) in het Groningse Leek, vorige week, lijkt dan ook een logisch uitvloeisel te zijn van de groeiende openheid rond de dood. De eerste tentoonstelling, 'Aankondiging Openbare Rouw' werd geopend door 'het veenlijk van Yde' - althans door het meisje dat vorig jaar in een verkiezing in Assen werd uitverkoren als degene die het meest leek op het tweeduizend jaar oude veenmeisje.

Die titel was nogal misleidend. De meeste stukken in het NUM - voorlopig gevestigd in een vleugel van het Nationaal Rijtuigmuseum op het landgoed Nienoord - hebben eerder betrekking op openbare rouw in het algemeen dan op de aankondiging daarvan. Onder die laatste noemer vallen eigenlijk alleen een handjevol rouwbrieven en bodetekens van begrafenisfondsen, en twee aangeklede modelpoppen van 'aansprekers'. Die gingen in de achttiende en negentiende eeuw langs de deuren om sterfgevallen bekend te maken. Hun werk is tegenwoordig overgenomen door rouwkaarten en rouwadvertenties. De verschillende 'steken' die ze droegen bij het overbrengen van de doodstijding liggen uitgestald in een vitrinekast.

Verder zijn er rouwsluiers, -hemden, -jurken, -sieraden en -hoedenpennen te bekijken. Weinig verrassend materiaal, maar het geeft wel een blik op wat de samenstellers van de tentoonstelling zo liefdevol 'de Nederlandse uitvaartcultuur' noemen. In de negentiende eeuw had men de gewoonte om haarlokken van de overledene te bewaren in broches, of zelfs als takken van een boom te verwerken in tekeningen of aquarellen. Verschillende van zulke 'haarschilderijtjes' liggen in een vitrine uitgestald, evenals een horlogeketting van gevlochten haar en goud.

Er is zwart getint rouwservies, zoals deftige burgers dat eind achttiende eeuw gebruikten tijdens de rouwperiode. De Engelse firma Wedgwood begon rond 1800 zogeheten 'basalt ware' te vervaardigen, met motieven van engeltjes en rouwende nabestaanden. Behalve Engels porselein is er ook boerenrouwservies uit Drenthe te zien.

Ontroerend is een uitvergrote foto uit Roermond, waarop de graven te zien zijn van kolonel Van Gorkum en zijn geliefde, jonkvrouwe Van Alferden. Hij werd in 1880 ter aarde besteld op de Nederlands Hervormde begraafplaats, zij in 1888 op de Rooms Katholieke begraafplaats. Over de muur die de twee van elkaar scheidt, reiken de overledenen elkaar de hand: uit de grafmonumenten groeien twee stenen armen waarvan de handen elkaar voor eeuwig hebben beetgepakt.

Initiatiefnemer van het NUM is H.L. Kok, funerair historicus, voormalig groothandelaar in rouwartikelen en samensteller van de langste rouwstoet ter wereld - vorig jaar in Amsterdam ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Oosterbegraafplaats. Kok liep sinds de jaren zestig rond met plannen voor een uitvaartmuseum, maar pas nadat hij in 1988 in het Rijksmuseum Twente de tentoonstelling 'De Laatste Gang' (25.000 bezoekers) organiseerde, kreeg hij de mogelijkheden een eigen museum te beginnen. Aan de reacties van mensen die zijn levenswerk een luguber idee vinden, is hij gewend. “Vroeger reageerde men nog veel negatiever. Van het eind van de jaren '50 tot en met de jaren '70 werd er nauwelijks over de dood gepraat. Er kwamen bejaardentehuizen, de mensen stierven niet meer thuis, de paardentaxi verdween, de crematie kwam. Er is een generatie groot geworden die niet meer kan rouwen.”

Kok, die bij de vakgroep klinische psychologie van de Rijksuniversiteit Utrecht eens de cursus 'Omgaan met de dood en de doden' gaf, ziet het als een belangrijke functie van het NUM de dood verder uit de taboesfeer te halen. “Het is belangrijk om te kunnen rouwen. In de jaren tachtig zag je gelukkig dat mensen steeds meer zelf gingen doen rond de uitvaart.”

Net als Kok komen ook andere drijvende krachten achter het NUM uit 'het zwarte vak'. Henk Bakker, penningmeester van de Stichting NUM begon als accountant maar werd later directeur van een uitvaartmaatschappij. “Ik moest er al snel niet meer aan denken, zo'n kantoorbaantje. Bij een uitvaartmaatschappij ben je veel dienstbaarder aan de mensen.”

De losse manier waarop Bakker en Kok over Magere Hein praten, past bij het Nederlands Uitvaartmuseum. Van een grafstemming is geen sprake. Het valt juist op hoe de dood vijftig à honderd jaar geleden midden in het leven stond, hoe ongedwongen er met de overledene werd omgegaan, en hoe verfijnd de uitvaartcultuur was. Dat die stijl tegenwoordig met andere zaken geassocieerd wordt blijkt uit het lot van de 'Berliner' rouwkoetsen, die in veel gevallen zijn omgebouwd tot trouwkoetsen.