'War-artist' bij Nederlandse VN-soldaten; Emotie over Bosnië kwam pas na thuiskomst

De werken van Annie Goddijn zijn t/m 20 september te zien in het Legermuseum, Korte Geer 1 in Delft. Ma t/m vr 10-17u, zondag 13-17u.

DELFT, 13 JULI. “Slopend was niet zozeer de reis, in een pantserwagen over geitepaden. Slopend was vooral de machteloosheid”, zegt Annie Goddijn (geb. 1939) over haar tocht naar de Nederlandse militairen in Bosnië in oktober en november vorig jaar. Nu hangen de schilderijen en tekeningen die zij daar in opdracht maakte in het Legermuseum in Delft: 17 acryldoeken waarop landschappen, prikkeldraad, uitkijkposten en zandzakken tot abstraherende, felkleurige vlakken zijn teruggebracht. Haar reisverslag van 56 tekeningen heeft een licht-karikaturale inslag gekregen - veel mannetjes in opvallende camouflagepakken.

Het geheel oogt - oppervlakkig gezien - nogal vrolijk. Pas bij nadere beschouwing gaat van de landschappen op de schilderijen een zekere dreiging uit, de dreiging van de oorlog die Goddijn aan haar eigen vroegste jeugd tijdens de bezettingsjaren in Nederland deed denken. “Ik had toen ik daar was niet zoveel emoties”, vertelt de schilderes. “Ik had het druk met reizen en het vullen van mijn twee schetsboeken. Oorlogshandelingen heb ik niet gezien, al moesten we onderweg af en toe halthouden totdat het schieten op bepaalde plaatsen wat minder werd. Toch heb ik meer gezien dan de meeste Nederlandse militairen daar, die gebonden zijn aan hun kampementen. Net een gevangenis soms, waar die jongens bijna niet uitkomen. En de hele dag Radio 538 op, van de satelliet”.

De emoties kwamen eigenlijk pas na thuiskomst, toen de kunstenares haar met de snelschrijver gevulde schetsboeken in schilderijen en tekeningen ging uitwerken. “Het is merkwaardig dat ik het schilderij dat nog het meest de verwoestingen door de oorlog weergeeft, van twee huizen in Mostar die ik onderweg zag, heb gemaakt zonder een schets of voorstudie.” Goddijn bezocht onder andere de legerplaatsen in Busovaca en Lukavac.

Sommige schilderijen vertellen ook iets over deze beperkte waarneming van de Nederlandse militairen, waarmee aan ook Goddijn werd geconfronteerd. Want de opdracht, verstrekt door het Legermuseum, hield een onderwerping aan de krijgstucht in en sloot derhalve individuele zwerftochten door land en dorpen uit. Op een aantal schilderijen ziet men beklemmende landschappen, ingekaderd door het prikkeldraad van de legerplaats of de zandzakken die op uitkijkposten als vuurdekking dienen. Slechts op enkele tekeningen, impressies uit een zigeunerdorp, is sprake van waarnemingen die niet direct aan militairen of hun kampementen zijn verbonden.

Goddijn is, na Thom Vink die in 1991 naar Noord-Irak ging, de tweede kunstenaar die door het Legermuseum als Nederlands war-artist werd uitgezonden. Het museum probeert hiermee een oude traditie nieuw leven in te blazen waarbij kunstenaars meegingen op veldtocht om het verloop van de campagnes voor het nageslacht te vereeuwigen. Houdt zo'n opdracht de plicht tot verheerlijking van krijgsbedrijf of Nederlandse militairen in?

Goddijn: “De enige beperking was, dat het werk wel min of meer figuratief moest zijn. Voor de rest ben ik gewoon mijn gang gegaan”. Krijgshaftigheid uitbeelden was geen voorwaarde van de opdracht. Tevoren was met het Legermuseum een bepaald bedrag afgesproken, waarvoor het museum een keuze zal maken uit het werk, dat thans in zijn geheel in het museum hangt. Eén schilderij, weet Goddijn, vindt de museumstaf wat al te abstract uitgevallen.

“Ik stond erbij en ik keek ernaar”, vat Goddijn haar houding tegenover wat ze gezien heeft samen. “Toen ik terugkwam, dacht ik eerst wel “en nu op naar Ruanda”. Maar ik denk niet dat mijn drie kinderen dat op prijs zouden stellen”.