Reisverslag uit de Oost vol nautische tips en rariteiten

Tentoonstellingen: Jan Huygen in de ton en Banden met de VOC. T/m 3 sept in Westfries Museum, Roode Steen 1, Hoorn. Ma t/m vr 11-17u, za-zo 14-17u.

Dat de Enkhuizer zeevaarder Jan Huygen van Linschoten (ca. 1562-1611) de geschiedenis in is gegaan als een sukkel, heeft hij voor een groot deel te danken aan een kinderliedje. Het rijmpje 'Jan Huygen in een ton/Met een hoepeltje erom' verwijst naar zijn mislukte pogingen om een noordelijke zeeroute naar Indië te vinden. Als baken voor latere noordvaarders had de Enkhuizer ontdekkingsreiziger een ton achtergelaten op Maelsoneiland in de Noordelijke IJszee. Die ton werd het symbool voor zijn onvermogen een noordelijke doorgang naar de Oost te vinden.

“Die ton valt volgens het liedje in duigen, en daarmee wordt gedoeld op zijn expeditie”, zegt Cees Bakker. Als conservator van het Westfries Museum in Hoorn is hij verantwoordelijk voor de tentoonstelling die Jan Huygen van Linschoten in een gunstiger licht plaatst. Het accent ligt dan ook niet zozeer op zijn vruchteloze pogingen de noordelijke doorgang te vinden alswel op zijn Itinerario, een in 1596 gepubliceerde bundeling van reisverhalen, wetenswaardigheden en nautische adviezen die lang zou worden beschouwd als het belangrijkste handboek voor Oostindiëvaarders.

Aanleiding van de tentoonstelling is de allereerste expeditie naar Oost-Indië, vierhonderd jaar geleden ondernomen door Cornelis de Houtman. Het Itinerario was op dat moment nog niet gepubliceerd, maar uit de verslagen van die uiterst belangrijke eerste reis valt op te maken dat De Houtman geschriften van Jan Huygen in manuscriptvorm bij zich moet hebben gehad.

Opmerkelijk is dat Jan Huygen van Linschoten een groot deel van de kennis voor zijn geschriften in dienst van de vijand heeft vergaard. Als 16-jarige was hij naar Sevilla getrokken om er zich het koopmans-métier eigen te maken. De handel ondervond weinig hinder van de oorlog tussen Spanje en de Nederlanden en zijn Enkhuizer afkomst stond evenmin een betrekking in dienst van een Portugese koopman in de weg.

In 1583 maakte Huygen als klerk deel uit van een reisgezelschap dat de nieuwe aartsbisschop naar de Portugese nederzetting Goa aan de Indiase kust begeleidde. Hij verzamelde op die reis veel praktische informatie en tekende in Goa ijverig verhalen op uit de monden van schippers en stuurlieden. Terug in Nederland stelde Huygen zijn informatie op schrift. Hoewel zijn eigen belevenissen de basis van het Itinerario vormen, overheerst een zakelijke toon. Het boek houdt het midden tussen een gids en een reisverslag. Het is opgeluisterd met kaarten, plattegronden en door Huygen zelf gemaakte tekeningen. Spektakel wordt daarbij niet geschuwd: op een olifant gezeten biedt de koning van Cochin een imposante aanblik. En een Brahmaanse vrouw die haar overleden echtgenoot vergezelt door in het vuur te springen zal ook interesse hebben gewekt.

Een doorslaand commercieel succes was het Itinerario overigens niet. Latere zeevaarders, zoals kapitein Bontekoe, zouden wèl bestsellers weten te produceren door een mix van rampspoed en exotische avonturen op schrift te stellen. John Brozius, de auteur van de brochure over Jan Huygen die ter gelegenheid van de tentoonstelling wordt uitgegeven, meent dat hij daar 'te serieus' voor was. “Huygen is heel degelijk te werk gegaan en heeft de dingen niet mooier willen voorstellen dan ze in werkelijkheid waren.” Het wetenschappelijke gehalte van het Itinerario werd nog benadrukt door de redactionele bemoeienis van de Enkhuizer stadsdokter Paludanus. Als verzamelaar van rariteiten toonde hij zich een dankbare cliënt van zeelieden die exotische voorwerpen uit de Oost meebrachten. Verondersteld wordt dat Paludanus zijn werk aan het boek heeft verricht in ruil voor voorwerpen die Huygen uit Indië had meegenomen.

Hoewel 'Jan Huygen in de Ton' strikt genomen de jaren vóór het ontstaan van de VOC belicht, maakt de tentoonstelling volgens Bakker deel uit van een VOC-cyclus in het Westfries Museum. Plannen voor een expositie over de Compagnie in Thailand zijn in een vergevorderd stadium. Bakker: “We willen benadrukken hoe groot de rol is geweest die West-Friesland heeft gespeeld in de Oostindiëvaart.” De tentoonstelling illustreert dat onder meer door aandacht te besteden aan het fluitschip, een efficiënt schip met een groot laadvermogen en een smal, kostenbesparend dek (de dekbreedte was bepalend voor de belasting) dat in Hoorn en Enkhuizen ontwikkeld werd. Brozius constateert een verband tussen de geavanceerde scheepsbouw in West-Friesland en de voortrekkersrol bij de eerste commerciële expedities: “Ze hadden een bulk aan ervaring en zagen nauwelijks op tegen een reis naar Indië.”

Een tweede tentoonstelling die tegelijkertijd in het museum te zien is, concentreert zich op de verregaande invloed van de VOC op de Westfriese samenleving. Banden met de VOC maakt duidelijk dat de Compagnie niet alleen het dagelijks leven in Hoorn, Enkhuizen en Texel goeddeels beheerste, maar dat geïmporteerde goederen als kleding en porselein tot ver in het achterland sporen nalieten en tot welvaart leidden. Tekeningen en aquarellen tonen de talloze gebouwen die op een of andere manier aan de VOC gerelateerd waren. Ter opluistering van deze expositie heeft een plaatselijk koor een oud zeemansliedje opgenomen dat onafgebroken in het zaaltje te horen is. Leuk idee, maar de lol gaat er een beetje af als de bezoeker voor de zeventiende keer binnen korte tijd 'Het is vrolijk op zee te varen' te horen krijgt. Voor de volgende VOC-tentoonstelling zou ik met klem uitbreiding van het repertoire willen aanbevelen.