Noorse bergland dertig miljoen jaar ouder dan gedacht

Het Noorse bergland is zeker dertig miljoen jaar oud. Dat blijkt uit metingen, uitgevoerd door geologen aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

Veel gebergten vinden hun oorsprong in het botsen van twee naar elkaar toe drijvende aardschollen, waarna erosie leidt tot het ontstaan van het typerende reliëf. De Himalaya is daarvan een bekend voorbeeld. In Zuid-Noorwegen echter is geen sprake van botsende aardschollen, de hier aanwezige aardschollen drijven juist van elkaar af. Dit gebergte moet dan ook op een andere manier zijn ontstaan.

Veel reliëf is ontstaan in de IJstijd onder de druk van kilometers hoge massa's landijs. Zo ook de randen van het Noors plateau en bijvoorbeeld Groenland. Onder de invloed van het landijs kan een laaggebergte van enkele honderden meters tot maximaal een kilometer hoog ontstaan. Daarvoor is het genoemde Noorse koepelland, dat een gebied van 200 bij 200 kilometer omvat, echter te hoog, want de hoogste toppen reiken er tot 2500 meter. Er moet dus sprake zijn van een ander ontstaansmechanisme. Wat dat precies is is nog onbekend. Het is denkbaar dat een warmtepluim, diep in de aarde, materiaal naar boven heeft geperst, of misschien is er sprake van een intra-plaat-stress die heeft geleid tot opheffing van de continentale rand en daling van het aangrenzende Noordzeebekken. Daarover valt alleen nog maar te speculeren. De bergen bestaan uit meer dan 600 miljoen jaar oude gerekristalliseerde gesteenten. Met de gebruikelijke geologische middelen valt niet te bepalen wanneer het huidige landschap precies is gevormd. Daarom maakten de Amsterdamse geologen gebruik van een geavanceerde methode, de splijtingssporentechniek (fission track), die sinds de jaren tachtig met succes wordt toegepast. Splijtingssporen zijn defecten in het kristalrooster van apatiet, een mineraal dat is opgebouwd uit calcium en fosfaat. De sporen worden gevormd door het verval van uranium en ze blijken een goede maat te vormen voor het tijdstip van afkoeling van het gesteente. Door opheffing koelt het gesteente geleidelijk af en komt vervolgens aan de oppervlakte. Bij een temperatuur tussen 50 en 120 graden Celsius vloeien de sporen in het apatiet geleidelijk dicht, maar ze blijven zichtbaar. Bij hogere temperaturen gaat de spontane splijting van uranium nog steeds door, maar de splijtingssporen vloeien zo snel dicht dat er niets meer van te zien is. Hieruit is het tijdstip van het optreden van de verticale beweging van het gesteente te bepalen. Dat leidde tot de hier boven vermelde opmerkelijke conclusie over de ouderdom van de Noorse bergen. Het onderzoek is uitgevoerd door promovendus drs. Max Rohrman onder begeleiding van dr. Paul Andriessen bij de nieuwe Onderzoeksschool Sedimentaire Geografie.