HET RAAPT AL KOGELS

(2 Aug. 1870)

De vorsten spelen 't hoge spel

't Plundrende, volkenvermoordende spel.

Waar 't krijt gekozen is, wordt al

Wat oogst beloofde

Groen weggemaaid;

't Hinderlaagbiedende struikgewas

En 't breed gekruinde hout geveld;

Bloemrijke villa's en nijvere hoeven geslecht;

En vóór de oorlog

Is reeds het schone land geschonden

Natuur verkracht.

Dan woedt de krijg op 't leeg gevluchte land.

Volken, in vrede wedijverend

Vrienden door kunst en verstand

Vrienden weer na de bedwelming

Storten, waanzinnigen

Opgezweept en verdwaasd

Door heersersgeweld en bedrog

Elkander op 't lijf

Trompetten en trommen verdoven 't gevoel;

De glorie, vuige deern

Meestbiedenden, meestbloedoffrenden veil

Viert de beestlijke tochten.

Uit bloedroes en kruidwalm ontwakend

Heet één de zegevierende!

Versplinterd

Ligt het vernuftige moordtuig;

Des vredes werk verwoest; verminkt

De duizenden;

Wee! wee! over der duizenden

Kinderen, vrouwen en ouders.

En ginds raapt, welbewaakt

Het keizerskind van 't slagveld

Wat kogels spelend op

En lacht.

Carel Vosmaer (1826-1888)

Het bewustzijn van de verschrikkingen van de oorlog is niet pas ontstaan toen er eenmaal fotografie en televisie waren. In de literatuur en kunst schildert men de gruwelen van het slagveld al eeuwen, vaak als een schrijnende waarschuwing voor de komende generaties. Het mocht nooit helpen. Zelfs nu fotografie en televisie het bewustzijn massaal hebben gemaakt en de waarschuwing massief mag het niet helpen. Het cynisme viert hoogtij, niet minder massaal en massief. Het cynisme in het oorlogsbedrijf zelf, dat als onvermijdelijk en eigen aan de menselijke soort wordt beschouwd, en het cynisme dat ons oordeel over de oorlog kenmerkt: het gebeurt verderop en wij hoeven er niet wakker van te liggen. Een cynisme dat bij ons deerlijk wordt aangewakkerd door de observatie van het halfslachtige geflikflooi van politici en regeringsleiders.

Maar ook het cynisme met betrekking tot de oorlog is al veel ouder dan vandaag. Zie het negentiende-eeuwse gedicht Het raapt al kogels van Carel Vosmaer - het verbeeldt niet zozeer het protest tegen de oorlog als wel de zinloosheid van dat protest. Het heeft daarom voor ons weinig aan herkenningswaarde ingeboet. Meteen in de eerste regels

De vorsten spelen 't hoge spel

't Plundrende, volkenvermoordende spel

herkennen we de vorsten van vandaag: de palaverende, kwartettende, jojoënde en blufpokerende politici aan hun onderhandelingstafels, voor wie de oorlog een langgerekt jongensspel is, maar om die herkenning gaat het niet, want dan zou het alleen een ouderwets, eerbiedwaardig pacifistisch gedicht zijn, met iets van hoop erin verweven: hoop op het afzetten van de pokerende tirannen, waarna algehele vrede.

In het gedicht van Vosmaer klinkt daarentegen het besef door dat oorlogen niet te stuiten zijn, dat de oorlog op amnesie berust en als een waanzin vrienden kan bevangen Vrienden weer na de bedwelming, dat de oorlog een combinatie vormt van heersersgeweld en bedrog, van winstbejag en propaganda, dat er oorlogen zullen zijn zolang de mens een geil en loops wezen is (altijd dus), en dat een oorlogsheld de woesteling is die toevallig heeft gewonnen

Uit bloedroes en kruidwalm ontwakend

Heet één de zegevierende!

Dan als alles stuk is, ál het werk van de vrede verwoest, vanaf de Natuur die ten behoeve van het slagveld, het 'krijt', verkracht is (eerste strofe) tot het vernuftige moordtuig zelf dat versplinterd ligt tussen de duizenden slachtoffers, aangezien het slagveld zich tot de hele menselijke habitat heeft uitgestrekt (derde strofe) dan is daar in het laatste strofetje dat beeld van het welbewaakte keizerskind dat spelend wat kogels van de naakte korst opraapt. En lacht.

Een kort beeld, maar een beeld als een hamerslag. Eeuwig zal het doorgaan met de oorlog, wil dat beeld zeggen, altijd begint het van voren af aan, want van het spel rest een speeltje en dat speeltje is straks weer het spel.

't Lijkt een poëtische vondst van jewelste, als slotaccoord van die prozaïsche, anti-romantische vrije verzen, maar 't komt gewoon uit de krant.

'Ontleend aan de eerste oorlogsberichten uit Frankrijk in 1870. Het hier van de jonge prins verhaalde had plaats op 2 Aug. van dat jaar,' schreef Vosmaer er in een noot bij. Geen poëzie dus, maar realiteit. De dichter, evenwel, zag in dit realistische voorval meteen de mythe, hij herkende in het individuele al bij voorbaat het algemene. Het algemene dat maakt dat wij ons, enige wereldoorlogen later, zelf in dat keizerskind herkennen - welbewaakte welvaartskinderen als we zijn. En polyinterpretabel lachend, met de domme lach van amusement, met de naïeve lach van de zalige onwetendheid die geheugenverlies heet en met de cynische lach van wacht-maar-af.