Aantal startende ondernemers in Nederland groeit explosief

Het zelfstandig ondernemerschap in Nederland maakt een explosieve groei door. Bedroeg het aantal starters in 1985 circa 25.000, nu zijn dat er 45.000. Opvallend is dat steeds meer hogeropgeleiden zich op het ondernemerspad wagen. Bijna een op de drie starters heeft een HBO-diploma of universitaire achtergrond. “Het is weer bon ton om een eigen zaak te hebben. Er komt steeds meer waardering voor het ondernemerschap en dat is sinds de Gouden Eeuw niet meer voorgekomen.” Profiel van de starter.

Ooit werkte Marlies Mersch (33), afgestudeerd jurist, als tweede directiesecretaris bij Eurocard. Nu is ze mede-eigenaar van het Rotterdamse cateringbedrijf Westerkaatje. In plaats van hele dagen vergaderen en notuleren, verzorgt ze nu alle mogelijke party's, van familiefeesten tot bedrijfsrecepties. “Mijn vorige baan was een 'zitfunctie', dat lag me niet helemaal”, vertelt ze in haar statige bedrijfspand aan de Maas. Toen ze door een fusie bij Eurocard op straat kwam te staan, besloot ze zich te wijden aan een oude liefde, de horeca. “Tijdens mijn studie had ik altijd bijbaantjes gehad in de horeca, ik heb er veel contacten. Ik wilde absoluut weg uit de rechtenwereld, ik vond m'n studie maar matig en heb me nooit echt jurist gevoeld.”

Na drie maanden werkloos te zijn geweest, kreeg ze van kennissen het verzoek om de catering van een feest op zich te nemen. Er volgde er nog één en nog één en hals-over-kop richtte ze een eenmansbedrijf op. Na een paar maanden fuseerde ze met collega-cateraar Davy Pieters (33) en was Westerkaatje een feit. De voordelen van een eigen bedrijf boven het werken in loondienst zijn legio, vinden beide ondernemers. Mersch: “Die vrijheid is geweldig, ik hoef nu niet meer elke dag van negen tot vijf naar kantoor.” Pieters, die haar loopbaan ooit begon als kok in een gerenommeerd hotel: “Hier bepaal ik alles zelf en ben ik niet afhankelijk van de nukken en grillen van een baas. Hier heb je rechtsstreeks contact met de gasten.”

Maar niet alles aan een eigen bedrijf is rozegeur en maneschijn. De onzekerheid over het inkomen geeft wel eens een onrustig gevoel, bekennen Mersch en Pieters. “Je krijgt geen vakantiegeld en de werktijden zijn niet altijd makkelijk te combineren met een gezin. Bovendien moet je flink investeren: dat begint al bij het huren van een bedrijfspand, een grote auto en keukenapparatuur. Daar komen dan nog eens de borgsom voor de huur bij, een fax en een computer. En dan heb je eigenlijk nog niets. Wil je groeien, dan moet je blijven investeren. Het is vechten voor je brood, maar we maken winst.” Een ander nadeel van het zelfstandig ondernemerschap is dat het eigen bedrijf er altijd is. Pieters: “Als je niet uitkijkt, praat je nergens anders meer over.”

Het zelfstandig ondernemerschap in Nederland maakt een explosieve groei door. Groeide het aantal starters halverwege de jaren tachtig met circa 25.000 per jaar, nu zijn dat er 45.000, zo blijkt uit cijfers van het Economisch Instituut voor Midden- en Kleinbedrijf. Nieuwe bedrijven (starters en dochters van bestaande ondernemingen) hebben de afgelopen jaren ruim 30 procent van de nieuwe banen gecreëerd. Toch heeft Nederland na Denemarken en België nog altijd het kleinste aantal ondernemingen van de Europese Unie, namelijk 620.000 ofwel 28 per 1.000 inwoners. De groei van het aantal ondernemers moet dan ook worden gezien als een inhaalslag. Zo nam volgens Economische Zaken in de periode 1988-1993 het aantal nieuwe vestigingen in Nederland met 35 procent toe, terwijl in de Europese Unie het aantal bedrijven gemiddeld met 1 procent afnam.

Er zijn verschillende verklaringen voor het toenemend aantal starters, volgens Hans Bais en Frits van Uxem, onderzoekers van het Economisch Instituut voor Midden- en Kleinbedrijf (EIM). In opdracht van het ministerie van Economische zaken volgen zij drie jaar lang circa 2.000 starters die in het eerste kwartaal van 1994 een eigen bedrijf opzetten. Zo heeft de overheidscampagne Onderneem het maar geleid tot meer starters, maar ook de recessie en de daarmee gepaard gaande werkloosheid hebben de populariteit van het eigen bedrijf doen toenemen, aldus Bais en Van Uxem. “Daar komt bij dat het tegenwoordig bon ton is om een eigen zaak te hebben. Er komt steeds meer waardering voor het ondernemerschap en dat is sinds de Gouden Eeuw niet meer voorgekomen.”

Het onderzoek van het EIM levert een haarscherp profiel op van de hedendaagse starter. Zo blijkt dat bijna één op de drie startende ondernemers tegenwoordig een HBO- of universitaire opleiding achter de rug heeft. “De tijd dat hooggeschoolden automatisch bij multinationals in een dure auto en een dikbetaalde baan konden stappen, is definitief voorbij”, aldus Van Uxem en Bais. “Men ziet het ondernemerschap als een serieus alternatief. Het geeft vrijheid, ruimte voor creativiteit en eigen planning.”

Het ondernemerschap blijkt nog altijd een mannenaangelegenheid. Slechts een kwart van alle starters is vrouw. Uit het onderzoek blijkt tevens dat de starter gemiddeld bijna 36 jaar oud is en veelal eerst een paar jaar in loondienst werkt alvorens zich zelfstandig te vestigen. Dat de gemiddelde leeftijd vrij hoog ligt, hangt samen met de grote groep (goed opgeleide) vijftigers die nog een eigen bedrijf beginnen. “Daar zitten ongetwijfeld veel uitgerangeerde werknemers van multinationals bij”, aldus de EIM-onderzoekers.

De zakelijke dienstverlening is verreweg het populairst onder beginnend ondernemers, zo blijkt. Bijna de helft beweegt zich in deze sector. Niet verbazingwekkend: de aanvangskosten zijn laag en de vraag is groot. Een kamer, computer, telefoon en fax zijn veelal voldoende om aan de slag te kunnen. Uit het onderzoek blijkt voorts dat bijna driekwart van de starters een bedrijf aan huis begint en ongeveer één op de zes een specifieke starterscursus volgde alvorens zich op het ondernemerspad te wagen. Na een jaar is zo'n 10 procent van de bedrijven failliet.

Behalve met de bureaucratie worstelen de meeste starters ook met hun financiën. Ruim een kwart heeft moeite om het gemiddelde startkapitaal van 50.000 gulden bij elkaar te krijgen. Bijna de helft van de starters komt het eerste jaar uit op een omzet van minder dan 50.000 gulden. Andere veelvuldig voorkomende problemen bij startende ondernemers zijn concurrentie, het vinden van afzetgebieden, het verzorgen van de administratie, niet op tijd betalende afnemers en het maken van winst.

Martin ten Cate (26), sinds vier jaar directeur en enig werknemer van het communicatiebureau Pro/Service in Dordrecht, had het ondernemerschap al vroeg in zich. “Op mijn twaalfde verkocht ik al plantjes uit mijn eigen broeikas.” Hij ging economie studeren in Groningen, maar halverwege zijn studie was hij al zo druk met zijn eigen bedrijf, dat hij het nooit officieel tot econoom heeft gebracht. “Het begon met het maken van acquisitiemateriaal voor een aannemer. Nu ben ik gespecialiseerd in direct marketing en drukwerk voor direct mail. Precies de vakken die ik tijdens mijn studie niet heb gehaald. Ik keek daar gewoon heel anders tegen aan dan die docenten.”

Behalve ondernemer is Ten Cate ook bestuurslid van Thinktank, 'het slimste netwerk van ondernemend Nederland', zoals de vereniging zichzelf afficheert. Het netwerk, bedoeld voor hoogopgeleide starters en studenten die een eigen bedrijf willen beginnen, is sinds de oprichting in 1989 uitgegroeid tot een club van bijna duizend leden en afdelingen in twaalf universiteitssteden. Het ledenbestand, waaronder 17 procent vrouwen, groeit met gemiddeld 25 per maand. De meeste leden zijn tussen de 25 en de 30. Uit onderzoek blijkt dat bijna de helft van alle starters 'netwerkt'.

Starters kunnen in de moeilijke beginperiode veel steun hebben aan de contacten die ze opdoen in het netwerk, aldus Ten Cate. “Vooral de bureaucratie blijkt voor velen een belangrijk obstakel. Toen ik vier jaar geleden bij de Kamer van Koophandel aanklopte voor informatie, moest ik die man achter het loket dingen uitleggen die hij zelf niet eens wist. En de gemeente bleek acht van de tien bedrijfsverzamelgebouwen, waar je als starter terecht kunt, niet te kennen.” Om de starter wegwijs te maken in het doolhof van regels heeft Thinktank accountants, advocaten en banken aangetrokken als sponsors die, in de hoop klanten te werven, een aantal uur gratis advies verstrekken.

De starter heeft inmiddels een stevige positie veroverd in het onderwijs. De meeste universiteiten, hogescholen en MBO-instellingen besteden op de een of andere manier aandacht aan het zelfstandig ondernemerschap. Zo heeft de HEAO in Haarlem al tien jaar een Small Business opleiding, waar studenten worden opgeleid tot ondernemer, bedrijfsopvolger of manager. De vierjarige opleiding ging in 1985 van start met 94 studenten, nu zijn het er 820. Jaarlijks melden zich 250 nieuwe studenten aan. “Als ze binnenkomen, wil 80 procent zelfstandig ondernemer worden”, zegt Jan Randsdorp, hoofd van de Small Business opleiding. “Na het afstuderen begint nog maar 25 procent voor zichzelf. Tijdens hun studie hebben ze kennelijk geleerd dat het Nederlandse ondernemersklimaat niet bepaald uitnodigend is. Het gros besluit om eerst een paar jaar ervaring op te doen in loondienst.”

De Small Business Opleiding is in zekere zin slachtoffer van haar eigen succes. “Ons grootste probleem is dat veel studenten tijdens hun studie al een eigen bedrijf beginnen”, aldus Randsdorp. “Ze hebben geen tijd meer om naar school te komen. Vorig jaar hadden we een jongen die een holding met vier B.V.'s had toen hij van school afging. We hebben ook eens een student gehad die voor zichzelf begon met een strandtent. Die kon ook niet meer naar school. Uiteindelijk heeft hij die strandtent verkocht en z'n studie afgemaakt. Nu heeft hij enkele honderden meters strand gepacht en verhuurt hij strandhuisjes.” Maar, laat Randsdorp met gepaste trots aantekenen: er zijn geen werklozen onder 'zijn' ex-studenten en er is nog nooit iemand failliet gegaan.

Ook Peter Ostermann (25) en Rob van Tricht (23), beiden student aan de Small Business Opleiding, zetten tijdens hun studie een eigen bedrijf op. Met een riksja en drie huiffietsen vervoeren ze passagiers door Amsterdam en verkopen ze en passant mobiele buitenreclame. Belangrijkste bron van inkomsten is niet het personenvervoer, maar de reclame. De beide directeuren fietsen niet zelf, maar beschikken over een bestand aan oproepkrachten. “Zelf zijn we full time bezig met de reclameverkoop.”

Randsdorp heeft af en toe medelijden met de startende ondernemer. “Nederland is beslist geen pretje qua regelgeving. Er zijn enorm veel vestigingswetjes, fiscale regels en voorwaarden en een starter moet talloze instanties af voordat hij alle informatie op een rijtje heeft. Den Haag doet altijd wel alsof Nederland het Walhalla voor de ondernemer is, maar dat is echt niet zo.” Over een nieuwe regeling als 'Tante Agaath', die fiscaal voordeel biedt aan vermogende familieleden die een lening verstrekken aan een ondernemend familielid, is Randsdorp niet te spreken. “Alsof iedereen zo'n familielid heeft.”

Om het de starter wat makkelijker te maken, wil Randsdorp binnen een jaar een informatiecentrum annex kredietinstelling aan zijn school instellen. “Ik ken een jongen die bij een bank aanklopte met het verzoek om 50.000 gulden startgeld te kunnen lenen. Dat was niet mogelijk, maar hij kon wel 250.000 gulden lenen. Dat wilde die jongen niet, want dan zouden de rentelasten veel te zwaar worden. Eind van het liedje was dat hij met lege handen huiswaarts keerde, hij was niet interessant voor de bank.”