Vijfjarenplan

De Belastingdienst heeft een vijf-jarenplan opgesteld voor de periode 1996-2000. Veel ophef is daar niet over geweest, want het gaat eigenlijk om een intern document. Toch hebben veel mensen er belang bij. Er staat namelijk in wat men van de Belastingdienst mag verwachten. Dat is nogal wat. De directeur-generaal van de belastingen pint zijn dienst er ondermeer op vast dat alle aangiften voor de inkomstenbelasting binnen een jaar zijn afgehandeld; dat geldt ook voor de mensen die niet om een voorrangsbehandeling hebben gevraagd. Voor ondernemingen is het lastiger om die doelstelling te halen, maar in 1998 moeten ook bedrijven hun aanslag binnen een jaar in de bus hebben. De ingestuurde aangiften inkomstenbelasting krijgen van de computer een geheime code op basis van een statistische inschatting van de kans dat er iets met de aangifte fout zit. Meer dan de helft van de aangiften krijgt zo een 'groene code'. Zonder dat er iemand naar kijkt, spuugt de computer de belastingaanslagen uit. De inspecteur houdt daardoor voldoende tijd over om de resterende aangiften goed te bekijken. Bij kleine fouten doet hij niet vervelend. Vergissingen tot een bedrag van 500 gulden worden niet gecorrigeerd, tenzij iemand er elk jaar naast zit.

Nu de fiscus sneller werkt, verwacht hij van de belastingbetalers hetzelfde: er wordt minder uitstel verleend voor het insturen van de aangiftebiljetten. Wie de aanslag te hoog vindt, moet binnen zes weken een bezwaarschrift indienen. Men krijgt dan binnen een paar dagen al een ontvangstbevestiging en - vanaf 1 januari 1997 - binnen zes weken de definitieve beslissing. Tot voor kort hadden de burgers voor dit alles twee maanden de tijd en trok de fiscus er soms jaren voor uit om een besluit te nemen; in een enkel geval liep die wachttijd op tot tien jaar. Maar we leven nu in een jachtig tijdsgewricht en dat werkt door in de belastingheffing. Daarom krijgt iedere briefschrijver binnen een maand antwoord van de inspecteur, ook in de vakantietijd. De dienstleiding accepteert maar één excuus voor een overschrijding van die termijn. Als er informatie bij andere belastingkantoren ingewonnen moet worden, mag de beantwoording van een brief tot twee maanden uitlopen.

Weinig overheidsinstellingen kunnen tippen aan de efficiency van de vroeger zo logge en bureaucratische belastingdienst. Die omvorming is een compliment waard. Bovendien werkt de fiscus vanuit het gezonde principe dat het veruit het beste is dat de burger uit zichzelf aan zijn fiscale verplichtingen voldoet. Wie loyaal met de fiscus meewerkt, krijgt als beloning een tegenpartij die uitmunt in snelheid en service. Maar, zo waarschuwt het bedrijfsplan uitdrukkelijk, denk niet dat de fiscus voortaan een doetje is. Als iemand zijn verplichtingen niet voldoende serieus neemt, valt het hele apparaat over hem heen. Dat treft niet alleen fraudeurs, maar ook mensen die zich met slimme, legale belastingconstructies onttrekken aan hun morele verplichting tot belasting betalen.

De praktijk leert hoe de fiscus dan zelf alle wettelijke mogelijkheden uit de kast haalt om die norm-overtreding af te straffen. Die mogelijkheden zijn niet gering. De belastingbetalers moeten torenhoge, ongefundeerde belastingaanslagen in een jarenlang voortslepende procedures voor de rechter aanvechten. Dat voert menig particulier of bedrijf in de richting van de ondergang. Op zichzelf kan men de fiscus nazeggen: 'Net goed, dan moet je maar belasting betalen zoals het hoort'. Maar wie bepaalt er precies wat er hoort? Fraudeurs hebben een duidelijke, democratisch vastgestelde wetsbepaling geschonden. Maar degene die een slimmigheidje toepast, overtreedt die wet niet, ook al toucheert hij belastingvrij geld waar een ander belasting over had moet betalen. De meeste mensen vinden dat bijna net zo erg als het welbewust overtreden van de wet.

Maar dat is nog geen vrijbrief voor de fiscus om zelf niet langer kritisch om te gaan met zijn macht. De criteria die de fiscus hanteert om iemand van het stapeltje goedwillenden over te hevelen naar het stapeltje kwaadwillenden, zijn namelijk niet door enig democratisch orgaan getoetst. Mogelijk staan die criteria niet eens op schrift. De morele verontwaardiging van plaatselijke belastingambtenaren zou wel eens doorslaggevend kunnen zijn. Dat is niet goed. Stel dan liever de criteria in een openbaar parlementair debat aan de orde. Zolang dat niet is gebeurd, moet de fiscus erg voorzichtig met het uitrekken van zijn informele mogelijkheden om norm-overtreders mores te leren.

    • Aertjan Grotenhuis