'Stapel wetten en regels met een heleboel overbodige rimram en overlappingen'; Linschoten over deregulering: wegkappen, dat dorre hout

DEN HAAG, 12 JULI. “Zo'n stapel is het.” Staatssecretaris R. Linschoten (sociale zaken en werkgelegenheid) houdt zijn hand circa 30 centimeter boven de tafel. “Je komt er niet doorheen. Er zit veel te veel dor hout in. Dat moet eruit.”

De denkbeeldige stapel bestaat uit de Arbeidsomstandighedenwet en 38 daarop gebaseerde ministeriële besluiten die samen ruim 1200 bepalingen bevatten. “Met een heleboel overbodige rimram en overlappingen”, stelt de staatssecretaris vast. “Wegkappen, dat dorre hout. Voor de beeldvorming is dat heel belangrijk.”

Inderdaad. Op de hitlijst van meest verafschuwde wetgeving scoort de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bij werkgevers zeer hoog. Het kabinet heeft in zijn regeerakkoord 'deregulering' beloofd en al spoedig de conclusie getrokken dat de Arbowet daarvoor een geschikt terrein vormt. Een werkgroep, met ambtelijke vertegenwoordigers van diverse ministeries, heeft gisteren aanbevelingen gedaan. Het kabinet gaat nu op korte termijn advies vragen aan de Sociaal-Economische Raad (SER) over de vereenvoudiging. In de voorstellen die het kabinet gisteren naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, staat dat een drastische sanering van de regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden mogelijk en nodig is. “Het moet nog in deze kabinetsperiode lukken de Arbowet te vereenvoudigen”, meent Linschoten.

Nu had de vorige minister van sociale zaken en werkgelegenheid, B. de Vries, al geconstateerd dat er veel viel te dereguleren op dit terrein. Van hem was het voornemen om de 38 op de wet gebaseerde besluiten met meer dan 1200 bepalingen te vervangen door één Arbeidsomstandighedenbesluit met 375 bepalingen die voor 90 procent voortvloeien uit richtlijnen van de Europese Unie of uit internationaal overeengekomen ILO-verdragen. Dat voornemen wordt inmiddels geëffectueerd.

Maar Linschoten gaat nu een stap verder. “Operatie twee”, zoals hij het noemt, bestaat uit een vereenvoudiging van de wet zelf. “Zwart-wit gezegd: het oude beleid bestond uit regels maken, hoe meer hoe beter, hoe gedetailleerder hoe beter, en dan maar hopen dat via de inspectie al die regels te handhaven waren. Dat is niet de meest effectieve manier. Het is veel beter om ervoor te zorgen dat de werkgevers zelf belang hebben bij goede arbeidsomstandigheden voor hun personeel. Het accent ligt dus straks op financiële prikkels voor die werkgevers.”

Meer dan de Arbowet zijn het andere maatregelen die bedrijven financieel moeten aanmoedigen ziekte en arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Zoals het grotendeels afschaffen en privatiseren van de Ziektewet, een ambitie die het kabinet per 1 januari 1996 wil verwezenlijken. Werkgevers moeten dan maximaal een jaar zieke werknemers zelf doorbetalen, een periode die nu nog beperkt is tot twee weken voor bedrijven met niet meer dan 15 werknemers en zes weken voor de grotere bedrijven. Een andere financiële prikkel moet komen uit de (voorlopig uitgestelde) wijzigingen in de WAO waarbij bedrijven en bedrijfstakken meer premie moeten betalen naarmate meer van hun werknemers arbeidsongeschikt worden verklaard. Veel minder dan vroeger kunnen bedrijven de risico's van ziekte en arbeidsongeschiktheid op de collectiviteit afwentelen.

“Ik ben ervan overtuigd”, zegt Linschoten, “dat deze wetten voor de arbeidsomstandigheden belangrijker worden dan de Arbowet zelf. Het moet een werkgever gewoon duidelijk worden dat hij aan investeringen in arbeidsomstandigheden absoluut veel geld kan verdienen. Dat is veel effectiever dan allerlei regeltjes.” Want de werkgever ziet goede arbeidsomstandigheden terug in lage premies voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. De particuliere verzekeraar bij wie hij deze risico's desgewenst kan onderbrengen, zal goede arbeidsomstandigheden en een goed beleid op het gebied van ziekteverzuim als polisvoorwaarden stellen, voorspelt de bewindsman. “En de ondernemer wil het liefst minder premie betalen dan zijn concurrent. Op dat mechanisme gokken we.”

Dat de Ziektewet volgend jaar vrijwel helemaal wordt geprivatiseerd, staat voor Linschoten vast, ondanks de twijfel daarover buiten het parlement (de SER) en daarbinnen (onder meer D66 en PvdA). Dit najaar moeten Tweede en Eerste Kamer het plan nog goedkeuren. “De privatisering wordt per 1 januari aanstaande gerealiseerd”, zegt Linschoten zonder aarzeling. “De afspraken daarover in het regeerakkoord zijn heel concreet. De bezwaren van D66 zijn niet anders dan toen we het regeerakkoord vaststelden. We hebben met zijn drieën, VVD, PvdA en D66, voor deze aanpak gekozen.”

Opvallend is overigens is dat de VVD-bewindsman bij de wijzigingen in de Arbowet die hij voorstaat, niet onverkort kiest voor de aanbevelingen van de Commissie-Kortmann. Deze commissie, die door het vorige kabinet was ingesteld om wetgeving te toetsen, meende dat de arbeidsomstandigheden vrijwel helemaal een onderwerp van privaatrecht moesten worden. De burgerrechter zou werkgevers die hun verplichtingen niet nakomen financieel moeten straffen en werknemers die het slachtoffer van gebrekkige arbeidsomstandigheden zijn, schadeloos moeten stellen. Linschoten heeft dit rapport destijds zonder commentaar naar het parlement doorgestuurd en intussen een ambtelijke commissie om een, gisteren verschenen, nieuw advies gevraagd.

“De Commissie-Kortman heeft de nadruk te veel op het privaatrecht gelegd”, vindt Linschoten. “Je krijgt dan allerlei claims waarmee je naar de rechter moet lopen. Ik vind dat geen goeie lijn. Dat geeft Amerikaanse toestanden, waarbij bijna alles via de rechter gaat.”

Maar ook het advies van de interdepartementale commissie die de Arbowet heeft bestudeerd, kan niet onverkort op de instemming van de staatssecretaris rekenen. Zo wil de commissie al in het vooruitzicht stellen dat de verplichting voor bedrijven om zogenoemde Arbodiensten in te schakelen, uit de wet wordt geschrapt. Deze Arbodiensten moeten voor een werkgever het beleid op het gebied van het ziekteverzuim uitstippelen - bij voorbeeld de controle van zieke werknemers voor hun rekening nemen - en op de arbeidsomstandigheden in het bedrijf letten. Voor een aantal bedrijven wordt het in 1996 wettelijk verplicht aansluiting bij zo'n Arbodienst te zoeken en voor alle bedrijven is dat in 1998 het geval.

Om dan nu al weer de afschaffing van deze wettelijke verplichting aan te kondigen, gaat Linschoten te ver. “Ik ben daar nog lang niet aan toe. Je moet voorkomen dat er bij deregulering een sfeer van 'laat alles maar waaien' ontstaat. Op het gebied van gezondheid van werknemers en veiligheid in de bedrijven kun je niet zomaar concessies doen. Daarbij is de rol van Arbodiensten essentieel.”

Misschien dat afschaffing van deze verplichting over een jaar of tien aan de orde kan zijn, denkt de staatssecretaris. Omdat dan de markt zijn werk zal hebben gedaan: verzekeraars bij wie de risico's van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid zijn ondergebracht, zullen ook de aanwezigheid van een Arbodienst in de polisvoorwaarden opnemen. “Als conditio sine qua non”, voorspelt Linschoten.