Reportage; 'Dit zijn niet m'n kleren, dit is ook niet mijn leven'

Dertien maanden geleden betoogde Hamdia, de magere muezzin-zanger van Srebrenica, dat er maar één Bosnië is. “En dat is ondeelbaar”, sprak hij beslist. “De Serviërs en moslims zullen er moeten samenleven.”

Hamdia stond op de hoogste richel van de minaret - een cirkelvormig balkonnetje - en keek uit over de belegerde enclave met z'n 50.000 opeengepakte moslims. Wat zag hij?

Om te beginnen: een nauwe vallei met daarin een stadje van flats en Alpenchalet-achtige huizen, uitpuilend van de bewoners. Met plastic afgedekte granaatgaten in de muren. Kaalgeslagen hellingen die stuiven als het droog is en in modder veranderen als het regent. Brandhout in de straten.

Ten zuiden van de stad: beboste bergtoppen waar de vijand zich schuilhield. Dat is de plek waar de rokende tanklopen van de Serviërs maandag voor het eerst te zien waren.

Als de muezzin-zanger op tijd gevlucht is, moet hij de wenteltrap in de minaret zijn afgehold, over de Rode-Kruisdekens op de vloer van de moskee zijn gerend, de straat op. Daar dromden tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen samen, die allemaal naar het noorden wilden - wetende dat ze ook daar op een front van de Serviërs zouden stuiten.

De 'openluchtgevangenis' Srebrenica telt één doorgaande weg, de Maarschalk Titolaan. Twee jaar lang doodde de bevolking de tijd door wezenloos als gekooide dieren heen en weer te slenteren over deze strook asfalt. Maar dinsdag was het eenrichtingsverkeer: vóór het artillerievuur van de oprukkende Serviërs uit, dieper het dal in.

Hamdia moet langs het met zandzakken gebarricadeerde postkantoor zijn gekomen. Tot begin deze week zaten daar de gemeenteraad en het schakelcentrum van Dutchbat. Dag in dag uit had de burgemeester de pantservoertuigen van de Luchtmobiele Brigade onder zijn raam voorbij zien rijden, op weg naar hun observatieposten in de bergen. Begin deze week bleken zij niet in staat de opmars van de Serviërs te stoppen met hun .50 boordgeschut en keerden ze voor het laatst terug naar hun basis.

Op 8 maart 1993 was generaal Philippe Morillon, de toenmalige bevelhebber van het VN-leger, op het dak van het postkantoor geklommen om de in het nauw gedreven moslims van Oost-Bosnië bescherming te beloven. Aan de wand had hij een fax opgeprikt van het bestand: in ruil voor de ontwapening van het moslimverzet door VN-soldaten beloofden de Serviërs de grenzen van de enclave te respecteren.

Maar dinsdag denderden de Servische tanks voorbij de borden met opschrift: UN protected area - no weapons allowed. Overste Ton Karremans riep nog wel hulp in van de NAVO, maar het luchtbombardement van de F-16's kwam te laat. De commandant kon niets anders doen dan zich samen met zijn mannen voegen in de rij vluchtelingen.

De elitetroepen van het Nederlandse leger moeten bij hun aftocht langs de Zilverschool zijn gekomen, een gebouw met een betonnen basketbalveldje dat als helikopterplatform werd gebruikt. Binnen bivakkeerden vijftig vluchtelingen per klaslokaal. Onder hen een meisje van drie met vlasbonde pieken dat onder een schoolbank woonde; haar broertje woonde er bovenop.

Zouden ook deze twee weeskinderen zich op tijd door de stroom vluchtelingen hebben laten meevoeren? Op hun vlucht zouden ze langs het kampement van de Bravocompagnie zijn gekomen, dat halsoverkop is ontruimd. In rustige tijden al stak deze compound schril af bij de rest van het stadje: het was een enclave in een enclave.

Binnen keken de Nederlandse soldaten met een sixpack Heineken onder handbereik naar RTL 4; buiten onder de populieren zaten gehurkte vrouwen in pofbroeken garen te klossen. De Dutchbat-soldaten hadden zich altijd al machteloos gevoeld ('we bewaken een getto'), nu wàren ze het. Op de appèlplaats stond een wegwijzer met houten dwarslatten die wezen in de richting van plaatsen als Badhoevedorp en Joure, naar het verre thuisfront kortom.

De enige moslim in de barakken van de in onbruik geraakte textielwerkplaats was Vachid, de tolk. Hij droeg een T-shirt met de Amerikaanse stars and stripes. “Dit zijn niet mijn eigen kleren, net zo min als dit mijn eigen leven is.” Vachid constateerde dat de wereld met het in leven houden van de moslims in het 'reservaat' Srebrenica een Romeins schouwspel in scene had gezet. “Ze hebben ons voor de leeuwen geworpen.”

Misschien is de 24-jarige tolk gelijk met de Nederlanders gevlucht. Het met rollen prikkeldraad omheinde veldje bij de beek hebben ze onbewaakt achtergelaten. Daar lagen de inbeslaggenomen wapens van de moslims: twee roestige tanks, een rijtje kanonnen en een stapel machinegeweren. Niemand twijfelt eraan of de Servische veroveraars hebben er dinsdag rondgekeken of er iets van hun gading bijzat.

Uiteindelijk hadden woensdagochtend alle vierhonderd Nederlandse vredesbewaarders en tienduizenden moslims zich in het stroomafwaarts gelegen dorpje Potocari aan de noordrand van de enclave verschanst. De laatste drie kilometer van hun vluchtroute voert langs een ravage van autowrakken, fabriekshallen waarvan het dak is ingezakt en ruïnes met zwarte schroeiplekken. De bezitsloze vluchtelingen moeten op die plek door het vizier van Servische telescoopgeweren zijn gelopen.

Een bunker van rioolbuizen markeert de toegangspoort tot het hoofdkwartier van Dutchbat, dat is gevestigd op het uitgestrekte complex van een verwoeste fabriek voor aluminium keukengerei. De basis is geschikt om te schuilen of om de capitualtie te tekenen, niet om te verdedigen. Het door de VN afgebakende 'veilige gebied' van vijftien bij twaalf kilometer is door de Serviërs opgerold tot er nog slechts een industrieterrein en een gehucht over was.

Potocari bestaat uit niet meer dan enkele tientallen huizen. Toch is het een opmerkelijk dorp, want wie oude landkaarten bestudeert zal zien dat er twee dorpen met diezelfde naam pal naast elkaar liggen: Musulmanski Potocari en Pravoslavna (orthodox) Potocari. Dat wil zeggen: de moslims en de Serviërs leefden op het Bosnische platteland altijd al gescheiden van elkaar, hoe vurig de muezzin-zanger van Srebrenica ook had betoogd dat de twee groepen wel in vrede moeten samenleven omdat ze geen andere keus hebben. “De Serviërs kunnen ons wel uit Srebrenica willen verjagen. Maar waarheen?”, had Hamdia zich afgevraagd.