Mijke Loeven Band: van rauw, aards en laag tot hemels en engelachtig hoog

De Mijke Loeven Band met Stanislav Mitrovic (sax), Maurice Rugebregt (gitaar), Jo Didderen (bas) en Rob Sprinkhuizen (drums) speelt zaterdag 15 juli om 18u tijdens North Sea Jazz in de Maris Zaal. De cd met dezelfde titel (A Records AL 73015) wordt gedistribueerd door Munich.

“Als ze vragen wat ik zing, dan zeg ik zoiets als: Rickie Lee Jones, Bonnie Raitt en Joni Mitchell, maar dan anders.” Mijke Loeven (1965), die zaterdag optreedt op het North Sea Jazz Festival, zong op haar vijftiende 'psychedelische rock', studeerde Nederlands in Amsterdam en trad daarmee veelvuldig op straat op, wat vooral haar volume ten goede kwam. In 1987 ging zij naar het Koninklijk Conservatorium in Den Haag waar ze onder meer haar kennis van de jazz vergrootte. In 1993 richtte ze haar eigen band op en maart j.l. presenteerde ze De Mijke Loeven Band, een cd met vrijwel uitsluitend eigen stukken. Sommige daarvan, Drive me Home en Love is Trivial bijvoorbeeld, zijn zo ouderwets direct en aanstekelijk dat je ze onvermijdelijk mee gaat zingen.

“Ik heb altijd liedjes geschreven, maar lang gedacht dat ze niet goed genoeg waren. Pas bij mijn huidige bandleden wist ik dat ik niet uitgelachen zou worden. Wat de teksten betref put ik uit de situaties waar ik zelf in verzeild raak. Vervolgens gaat het als een slinger heen en weer: de tekst brengt melodie voort en andersom. Ik bouw het geraamte, melodie plus akkoorden, aan de piano, daarna stap ik naar de band om er echt muziek van te maken. Die collectieve fase heeft een groot voordeel, want daardoor wordt een stuk van ons allemaal. De band is voor mij heel belangrijk, met anonieme musici achter me, hoe goed ook, zou ik heel ongelukkig worden.”

Dat Mijke Loeven het bandgevoel koestert, blijkt uit het feit dat ze bassist Jo Didderen voor het interview heeft meegenomen. Hij zegt zich te ergeren aan het beeld dat vooral 'coole jazzcats' nog altijd van zangeressen hebben: het domme blondje voor de band dat toevallig ook nog aardig zingen kan. En Loeven zelf komt met een ander cliché: dat de musici na een optreden natuurlijk door de achterdeur naar buiten moeten terwijl zij aan de voordeur wordt opgewacht door een limousine.

Blijft de vraag op welke 'doelgroep' Mijke Loeven nu eigenlijk mikt. Haar platenlabel drijft op jazzmuziek, haar bassist gebruikt een ouderwetse contrabas en de saxofonist speelt soms lange solo's. Toch klinkt het resultaat vaak als popmuziek, zij het uit de tijd van vóór de computerisering.

“Voor jazzliefhebbers is het vaak niet extreem genoeg, voor poppubliek is het soms te ingewikkeld, bijvoorbeeld harmonisch. Of we spelen voor jazz- of voor popfans maakt ons niet uit, als er maar geluisterd wordt. Daarom willen we ook weg uit de kroeg; spelen voor publiek dat ergens anders voor komt en je moeten verkleden tussen de biervaten, die romantiek hebben we inmiddels gehad. Ik teken voor optredens in het schouwburgcircuit omdat je daar kunt rekenen op goed geluid en licht, maar ook goede jazzclubs of popfestivals wijzen we niet af. Het belangrijkste is dat het publiek echt voor ons komt. We spelen ten slotte onze eigen muziek, wat iets anders is dan standards vertolken. Ik heb zelf heel veel van die standards gedaan maar er was altijd een stemmetje in mijn hoofd dat zei: dat hoort niet bij je, dat is niet van jou. Al mijn onzekerheid over de vraag of ik wel thuishoorde op dat podium verdween toen ik mijn eigen stukken ging zingen. Het maakte me tegenover het publiek zo sterk als een leeuw. Dit ben ik, dacht ik bij mezelf, dit ben ik voor honderd procent, of u het nu leuk vindt of niet.”

Dat brengt het gesprek op het conservatorium. Heeft ze daar dat grote bereik ontwikkeld, van rauw, aards en laag tot hemels, bijna engelachtig hoog? “Ik ben van nature een hoge sopraan. Heel hoog kunnen zingen is op zichzelf niets bijzonders en een paar nootjes erbij is gewoon te leren. Het omgekeerde is ook al niet moeilijk; met een pakje zware Van Nelle erbij ga je vanzelf de laagte in. Ik heb altijd een stevige manier van zingen gehad, ik heb wat men noemt een 'power voice', gewoon van hogerhand meegekregen. Repertoire van Tina Turner bijvoorbeeld heb ik daardoor altijd goed aangekund.

“Waar ik onzeker over was, was het middengebied. Vooral om dat te leren beheersen, ben ik naar het conservatorium gegaan. En heb daar ontdekt dat het - als zo vaak bij zingen - vooral een psychische kwestie was; je bent bang dat een bepaald bereik van je stem geen 'ballen' heeft waardoor je daar de noten af gaat knijpen.

“Ik heb nu veel meer macht over mijn stem, kan sneller wisselen tussen hard en zacht, dus veel meer spelen met dynamiek. Mijn gevoel bij het zingen is ook veranderd. Als ik vroeger zong dan moest het echt pijn doen anders waren de emoties voor mij niet echt. Nu is het omgekeerd, niets voelen en mijn stem alles laten doen, dat is voor mij het ware zingen. Maar niet iedereen hoort het er aan af, hoor. Laatst, na een optreden, komt er een oud dametje op me af en die zegt: 'Je zingt fantastisch lieverd, je moet echt zangles nemen.' Ik heb van mijn leven niet zo hard gelachen.”