Duitse WW op basis 'marktwaarde' werkloze

BONN, 12 JULI. Het idee van de Duitse minister van sociale zaken, Norbert Blüm (CDU), om de hoogte van bepaalde werkloosheidsuitkeringen te gaan koppelen aan de “marktwaarde” van werklozen stuit op groeiende kritiek. De oppositionele SPD, maar ook de linkervleugel van de CDU en organisaties van werklozen vrezen een “automatische degradatie” van werklozen en andere kwalijke gevolgen van Blüms plannen, die per april 1996 kracht van wet zouden moeten krijgen.

Het Duitse kabinet bereikte vorige week overeenstemming over de begroting voor 1996, waarin - voor het eerst sinds de jaren zeventig - reëel op de uitgaven wordt bespaard. Vooral de ministeries van verkeer en van sociale zaken moeten zwaar bezuinigen, onder meer door zeven miljard mark kortingen op uitbreiding en vernieuwing van het rail- en wegennet en 3,4 miljard minder voor de sociale zekerheid. Mede om die laatste bezuiniging te verwerkelijken heeft Blüm het plan ontwikkeld om per april 1996 niet meer het laatst verdiende nettoloon maar de “marktwaarde” van langdurig werklozen als norm voor een uitkering aan te houden.

Volgens de plannen-Blüm zou die veelal lagere marktwaarde van zulke werklozen het voor werkgevers makkelijker maken personeel aan te nemen. De overheid zou het inkomensverlies via loonsuppletie goedmaken en tevens meer geld uittrekken om werklozen via scholingsprojecten geschikt voor de “eerste arbeidsmarkt” te houden of te maken. Bovendien zouden goed opgeleide werklozen, wier laatste netto-inkomen hoog was, in de voorgestelde systematiek een sterkere prikkel krijgen om werk te zoeken.

In die opzet komen meer werklozen aan werk en wordt per saldo minder geld aan werkloosheidsuitkeringen uitgegeven (geschat: 1,4 miljard per jaar), is Blüms redenering. Maar: nog niemand weet hoe de reële marktwaarde van een werkloze moet worden bepaald, of hoe een beroepsrecht moet worden opgezet, aldus een woordvoerder van zijn ministerie. De taxatie van de marktwaarde zou straks aan arbeidsbureaus moeten worden opgedragen.

Duitsland kent een vorig jaar door het Constitutionele Hof op 13.000 mark per jaar gesteld “bestaansminimum” (voor ongehuwden), maar geen in de sociale zekerheid doorwerkende wet op het minimumloon als Nederland. Volgens Blüm betekent zijn plan geen principiële wijziging van geldend recht, want in de Bondsrepubliek moet de hoogte van de zogenoemde “Arbeitslosenhilfe” toch periodiek, regel is eens per drie jaar, van overheidswege worden vastgesteld (de behoeftigheidsnorm eenmaal per jaar).

Dat leidt ook in de huidige situatie, met het laatst verdiende nettoloon als grondslag, veelvuldig tot processen voor sociale raden van beroep. Blüm wijst er bij de verdediging van zijn voorstel op dat het ook nu al ondoenlijk is de uitkeringshoogte voor een werkloze te baseren op “een nettoloon dat hij misschien twintig jaar geleden verdiende”. Zijn plannen komen pas na de zomer in het parlement in behandeling. In West-Duitsland ontvangen thans 590.000, in Oost-Duitsland 325.000 mensen “Arbeitslosenhilfe”, die 53 tot 57 procent van het laatste nettoloon bedraagt.

Blüm mikt met zijn plan vooral op de “harde kern” van de werklozen, namelijk op een groep van circa 35 procent van de circa 2 miljoen Duitsers zonder werk. Deze groep bestaat uit veelal matig opgeleide en daardoor langdurig werklozen. De minister reageert boos op het woord “marktwaarde”. “Dat is een cynisch woord, dat ik niet heb bedacht, ons doel is langdurig werklozen weer aan het werk te krijgen”, zegt hij.