'Dit gebonk dient tot het laatste toe te worden bestreden'

De rijksoverheid heeft het moeilijk met andere kunstvormen dan de gevestigde. Met popmuziek bijvoorbeeld. Minister Gardeniers meende in 1981 dat popmuziek niet van artistieke betekenis was, en helaas is dat oordeel sinds die tijd niet wezenlijk veranderd, vindt Jaap van Beusekom.

De Rijksoverheid is bezig haar mening te vormen over het cultuurbeleid voor de jaren 1997 tot en met 2000. Drie rapporten kunnen haar daarbij helpen. Een advies van de Raad voor de Kunst: Kunst op de groei, een van het Sociaal en Cultureel Planbureau Podia in een tijdperk van afstandsbediening en een in opdracht van staatssecretaris Nuis door bureau Berenschot geschreven rapport De podiumkunsten na 2000.

Het advies van de Raad voor de Kunst gaat voornamelijk over procedures en zegt niets over de rol van de kunsten in de hedendaagse samenleving.

Het persbericht dat het rapport van het SCP vergezelde, meldde op droge toon dat “dankzij het voortdurende en landelijk gespreide aanbod, klassieke concerten nog altijd veel meer publiek trekken dan musical, opera of popband. Ter vergelijking: jaarlijks 18 bezoeken per 100 inwoners voor klassieke concerten en 16 per 100 voor popconcerten”.

Deze onjuiste contatering verscheen pontificaal in de landelijke kranten. Toch weet iedereen al jaren dat de gegevens over de niet-klassieke concerten (popmuziek en niet-klassieke wereldmuziek) incompleet zijn vergeleken bij die van de volledig gesubsidieerde podiumkunsten.

In het onderzoek van Berenschot worden twee scenario's voor het cultuurbeleid geschetst, het 'hoofdstroom-tegenstroomscenario' en het 'pluriformiteitsscenario'. Het eerste gaat uit van een ontwikkeling naar een gesegmenteerde samenleving met in het centrum een 'middle-of-the-roadcultuur'. Het tweede gaat uit van het ontstaan van een multicultuur waarin het verschil tussen commerciële en gesubsidieerde kunst beleidsmatig vervaagt. Geconstateerd wordt dat in beide scenario's het huidige podiumkunstenbeleid niet kan worden voortgezet. Tevens wordt vastgesteld dat de spanning tussen de 'serieuze' muziek en het niet-reguliere (bedoeld wordt: het 'populaire') aanbod uitzonderlijk groot is en dat er weinig in de 'onderkant' wordt geïnvesteerd.

Weet de rijksoverheid intussen iets van andere podiumkunsten dan de symfonische muziek, de opera, de dans en het toneel? Dat zou wel moeten, want al op 24 februari 1975 verzond de toen net opgerichte Stichting Popmuziek Nederland (SPN) een brief aan de toenmalige minister van CRM, Van Doorn, met daarin het volgende citaat uit het door de SPN opgestelde Popplan: “De popmuziek is een muzieksoort die tot nu toe buiten de aandacht en bemoeienis van de overheid is gebleven. Daardoor zijn ons inziens kansen gemist, zowel in artistiek opzicht (kwaliteitsbevordering) als cultureel gezien (het creëren van nieuwe publiekssituaties etc.). Ook doorwerking in, en wisselwerking met het muziekonderwijs en de kunstzinnige vorming is grotendeels achterwege gebleven.” In datzelfde Popplan wordt al gesproken over een op te richten popmuziekacademie en een poparchief.

Het was weinig bemoedigend om te zien hoe de rijksoverheid in de daaropvolgende twintig jaar probeerde zich een beeld van die muzieksoort te vormen. Minister Gardeniers in 1981: “Popmuziek kan alleen in haar commerciële betekenis worden bezien en niet in haar artistieke betekenis en is een muzieksoort voor een zeer jeugdig publiek.” Onder minister Brinkman werd het orkestenbestel gereorganiseerd en in de verdeling van vrijgekomen geld voor nieuwe muziekvormen werd voor de SPN een miljoen gereserveerd. In de werkversie van het zogenaamde Sutherland-rapport stond bij popmuziek te lezen: “... maar dit gebonk dient tot het laatste toe te worden bestreden.” In de uiteindelijke versie werd dit merkwaardige waarde-oordeel geschrapt.

In een advertentie in de Volkskrant van 2 april 1992, financieel mogelijk gemaakt door meer dan honderd instanties en individuen, gaf de SPN vervolgens de verdeling aan van de rijkssubsidie voor de podiumkunsten, die in totaal 250 miljoen bedroeg. Daarvan ging drie miljoen naar de jazz en de popmuziek samen. Na de opsomming van de bedragen volgde de retorische vraag of deze verdeling representatief was voor de kwaliteit, de kwantiteit en het publieksbereik van de podiumkunsten in Nederland anno 1992.

Waarom heeft de overheid eigenlijk zo weinig zicht op die niet-traditionele kunsten?

Een eerste antwoord is dat de symfonische muziek, opera, dans en toneel een Westeuropese traditie vertegenwoordigen. Toen na de Tweede Wereldoorlog een rijkskunstenbeleid werd ontwikkeld, was de samenstelling van de maatschappij duidelijk en overzichtelijk. Daarin kwam al in de jaren vijftig met de migratie vanuit de nieuwe staat Indonesië verandering. Die migratie leverde Nederland ondermeer de introductie op van de live-vorm van rock'n'roll. Latere migratiestromen uit andere werelddelen betekenden allereerst een verrijking van het muziekaanbod - een ontwikkeling waar iedere Nederlander die wel eens uitgaat of een festival bezoekt van heeft kunnen genieten.

En nu heeft de rijksoverheid het fenomeen wereldmuziek ontdekt. Niet om artistieke redenen, maar in het kader van het allochtonenbeleid. Migranten dienen (op actieve en passieve wijze) te participeren in de podiumkunsten. En men bedoelt dan de 'hogere' podiumkunsten. Dat komt voort uit de nooit hardop uitgesproken opvatting dat de beschavingskwaliteit van de traditionele podiumkunsten van een hogere orde is dan die van “het gerommel aan de onderkant”.

Tijdens een symposium over 'culturele diversiteit en publieksparticipatie' dat eind 1994 in het Soeterijntheater werd gehouden en dat gewijd was aan de participatie van allochtonen in de podiumkunsten in de periode 1994-2005(!), gonsde deze boodschap door de toespraken van de meeste sprekers heen: als een allochtoon naar een traditionele podiumvoorstelling gaat, heeft dat een hoger beschavingseffect dan het bezoeken van een pop- of wereldmuziekconcert. Men gaat dus uit van de gedachte dat de kunstbeleving van een hoogleraar tijdens een Beethovenconcert in het Concertgebouw van een hogere kwaliteit is dan die van een tweede generatie Marokkaanse Nederlander bij een raïconcert in de Melkweg.

Dat de Nederlandse bevolking de laatste decennia en masse talloze concerten bezoekt die niet vallen onder de reguliere kunsten is niet alleen het Sociaal en Cultureel Planbureau ontgaan. Nog in 1989 werd door de cultuursocioloog H. Ganzeboom de cultuurparticipatie van het Nederlandse volk als volgt afgedaan: “Culturele activiteit is een gedragsvorm, die in besteding van tijd en geld van veel leden van onze samenleving slechts een marginale plaats inneemt.”

Een duale structuur (hoog-laag) van het podiumkunstenveld in Nederland is meer dan ooit een feit. De 'bovenkant', de traditionele kunsten met een vrijwel uitsluitend blank publieksbereik, gesubsidieerd, grondig onderzocht met relaties naar de media en een goedwerkende lobby naar de overheden, versus de 'onderkant', nauwelijks enige lobby naar de overheden en een pluriform, groot publieksbereik. De reguliere kunsten hebben door het monopolie van overheidssteun en vermeende artistieke suprematie de onevenredige status van Staatskunst bereikt. Er zal de komende vijf jaren iets moeten veranderen in dit beleid. De ambtelijke top die dit beleid hoofdzakelijk bepaalt, is de laatste twee decennia nauwelijks veranderd. De Tweede Kamer dan? Iedereen weet dat het bedrag voor cultuur politiek gezien irrelevant is. Daarbij, in de Nederlandse samenleving heeft het bestuur zich altijd al terughoudend opgesteld ten opzichte van kunst en cultuur. Alleen daarom al is te vrezen dat de uitgangspuntennotitie voor de komende cultuurnota van staatssecretaris Nuis, die binnenkort zal verschijnen, weinig opzienbarends te zien zal geven. Mijn (hopelijk voorbarige) conclusie is dat het kunstenbeleid zich op weg naar het jaar 2000 in de laagste regionen heeft geplaatst van de bestuurlijke vernieuwing in Nederland.