Bruikbare ellende

In 1888 wordt een gevierd acteur in Londen op heterdaad betrapt in een bordeel bij een routine-inval van de politie. Samen met de andere bezoekers, de meisjes en de hoerenmadam wordt hij gearresteerd en naar de gevangenis overgebracht. De agenten weten niet wie ze voor zich hebben, ook niet wanneer hij zijn personalia moet opgeven, maar de volgende morgen wordt al snel duidelijk dat het hier een speciaal iemand betreft. De directeur van het theaterwezen bemoeit zich er persoonlijk mee, grote sommen gelds veranderen van eigenaar en nog dezelfde avond staat de acteur weer op de planken en speelt als Romeo de sterren van de hemel. Vooral het vrouwelijke gedeelte van het publiek smelt weg bij zijn hartstochtelijke liefdesclausen.

Toch loopt het niet goed af. In werkelijkheid is de acteur nauwelijks meer een jeune premier, maar 36 jaar, getrouwd en met vier kinderen. Er worden dingen over hem gefluisterd, er wordt om geld gevraagd, zijn vrouw wordt lastiggevallen en ze krijgt op zeker moment het hele incident te horen. Zij confronteert hem ermee, hij ontkent. Ze confronteert hem er nog eens mee, maar hij volhardt in zijn ontkenning. Er ontstaat verwijdering tussen de echtelieden. Ze ontzegt hem de toegang tot haar slaapkamer. De hartstocht verdwijnt uit zijn toneelspel. Hij wordt oud en ziek (syfilis). Veel drank ook. Op een van zijn nachtelijke sessies in een dranklokaal vertelt hij voor het eerst het hele verhaal met alle details aan een onbekende jongeman met schrijfambities. Die schrijft later een roman vol schaamte en schuld en persoonlijke tragiek. Met mededogen ook en hier en daar wat sociale satire. Het boek wordt een eclatant succes en ieder roemt de verbeeldingskracht van de jonge auteur.

In 1995 wordt de beroemde filmacteur Hugh Grant met een prostituée op heterdaad betrapt in een geparkeerde auto. De surveillerende agenten herkennen hem niet, maar er worden mugshots gemaakt op het politiebureau en twee dagen later staat het verhaal in alle kranten ter wereld, in ieder geval in de Westerse.

Over de dood van de roman wordt al sinds de jaren vijftig gebakkeleid. Het leek mij altijd een futiele discussie, want verschijnen er niet jaarlijks honderden romans? Maar de concurrentie is intussen wel flink gegroeid. Waarom lezen mensen romans? Het algemene antwoord is om iets over het leven te weten te komen. Dat kan variëren van concreet (het episch realisme van Dickens) tot abstract (de filosofische toonzetting van bijvoorbeeld W.F. Hermans). In het midden van het spectrum bevinden zich de morele conflicten en elke roman, hoe concreet of abstract ook, behandelt wel het een of andere morele conflict.

Hoewel alle morele thema's al sinds de oudheid gerecycled worden, lijkt er toch een beetje een eind gekomen aan de beschikbare onderwerpen voor een roman. Hugh Grants verhaal zou in handen van Emile Zola tot een sociaal-psychologisch fijnzinnige roman kunnen promoveren, maar welke schrijver zou er nu op afvliegen? Het onderwerp is binnen twee dagen tot op het bot afgekloven. Er zijn geen geheimen meer en de geheimen die er zijn liggen onmiddellijk op straat, ofwel als gezellige berichtgeving in de kranten, ofwel als onderwerp in talkshows.

De roman heeft inderdaad terrein verloren als voertuig voor ideeën over hoe de wereld te beschouwen. De lezers wenden zich vaker tot andere bronnen en de schrijvers stappen over op een ander genre: de biechtliteratuur of het egodocument. Het lijkt een ondoenlijke opgave een grote roman te schrijven over pakweg aids, incest of het leven in een rolstoel. Niet omdat het geen belangrijke onderwerpen zijn, maar omdat er een talkshow- en tijdschriftartikel-odium aan kleeft.

Anders wordt het wanneer iemand zijn persoonlijke ervaringen opschrijft met alle technieken van het schrijverschap. Philip Roth verwerkte de dood van zijn vader niet in een roman, maar maakte er een apart en veelgeprezen boek van. Renate Rubinstein, Wiliam Styron, Primo Levi, Germaine Greer en zelfs ook John Updike (over zijn psoriasis) vormden uitsneden van hun leven om tot literaire monografieën. Het persoonlijke is literatuur geworden. Niet natuurlijk voor Hugh Grant die, net als Woody Allen en Roman Polanski, met perfect bruikbare ellende in het trash-moeras verzeilde, waar niet zozeer de wetten van de tragiek heersen alswel die van de farce.