Afstappen is als een faillissement

LA PLAGNE, 12 JULI. “Láág us efkes, Henk.” Twee plat Westbrabants pratende, oudere mannen en een opgewonden vrouw verdrongen elkaar bij de auto, waarin Tourrenner Nijdam zojuist had plaatsgenomen. Ze wilden een foto schieten van de bekende TVM-coureur en vroegen hem een vrolijk gezicht op te zetten. Nijdam voelde daar niks voor. “Ik heet geen Henk, ik heet Jelle”, snauwde hij naar het trio. “Dat ze me godverdomme nog altijd verwisselen met mijn vader. Die fietst al dertig jaar niet meer”, mompelde hij even later. “Lachen, ze willen dat ik lach. Ze moeten toch begrijpen dat ik daar nu bepaald niet voor in de stemming ben.”

Nijdam bevond zich bij de ravitaillering in Beaufort, niet ver van Albertville. Hij was enkele minuten tevoren afgestapt op de plaats waar de etenszakjes werden uitgedeeld. Hij was daar als laatste renner aangekomen. Een kwartier lang had hij in zijn eentje, zwoegend, zwetend en vloekend, voor de bezemwagen uitgereden.

Tevoren was hij eigenlijk al geknakt, had hij stampend op de pedalen aan zien komen dat hij de finish in La Plagne niet zou halen. “Ik was volkomen leeg”, vertelde hij, terwijl hij zijn gezicht met een washandje schoon waste. “En er wachtten nog zeventig kilometer en twee hoge cols. Het was uitzichtloos.”

Het rijden vóór de voiture balai, de uitvallersbus, is bijzonder ontmoedigend, zeker als de etappe nog lang is. De betrokken rijder weet dan dat hij vrijwel zeker ten dode is opgeschreven. De sprinter Theo Smit, halverwege de jaren zeventig winnaar van enkele etappes in de Tour, vergeleek het met een soort faillissement. “Zit je voor die auto, dan is het is net of je alles kwijtraakt, of je hele wereld instort.”

Nijdam, de enige Nederlandse uitvaller in de eerste bergetappe, moet gisteren een soortgelijk gevoel hebben gehad. Juist in het seizoen dat hij - na een aantal slechte jaren bij de ploeg van Jan Raas - bij Cees Priem aan een opmerkelijke revival bezig was en met tal van mooie plannen aan de Tour was begonnen, kreeg hij in de Savoie met een nachtmerrie te maken. Daar kwam hij de man met de hamer tegen, het was voor hem om te huilen.

Wie in de rit tussen Le Grand Bornan en La Plagne de fietsende acteurs in de achterhoede bezig zag, ontdekte snel dat Jelle Nijdam niet het enige slachtoffer was. Wat te denken van Roberto Petito die met maagklachten was gestart? De Italiaan van Mercatone Uno reed vanaf de eerste beklimming voor de bezemwagen, kotsend en geplaagd door diarree.

Pag.12: 'Mario is dapper, maar traag. Hij redt het niet'

Tweemaal stapte hij af en ging met krantepapier de bosjes langs de weg in. Eindelijk kreeg hij van zijn verzorger in de volgauto toestemming de strijd te staken. Zijn aftocht riep herinneringen op aan die van ene Jaak Verbrugge in een Tour in het begin van de jaren tachtig. Een soigneur zei toen: “Jaak zat van kop tot teen onder de stront.”

Tegelijk met Pepito verdween diens ploeggenoot Silvio Martinello van het toneel. Gesloopt door de hitte en slachtoffer van een val. Een Tourarts raadde hem aan de koers te verlaten, maar Martinello wilde daar eerst niet van weten. Hij voelde zich gesterkt door de aanmoedigingen van het publiek. “Allez pauvre petit”, klonk het van alle kanten. Enkele toeschouwers gooiden hem nat met water - het was rond het middaguur vijfendertig graden - om hem nieuwe energie te geven.

Hetzelfde overkwam Mario de Clercq, die na Nijdam wel een uur lang als eenling voor de uitvallersbus reed. Hij schudde, danste, hing over zijn stuur, steeds zoekend naar de juiste balans om het tempo zo hoog mogelijk te houden. “Mario is dapper, maar traag”, riep een mecanicien uit de volgauto van zijn sponsor Lotto. “Hij gaat het niet redden.”

Dat De Clercq niet hard genoeg ging werd in de afdaling van de Col des Saisies duidelijk. Hoewel de Belg 65 kilometer per uur reed, dreigde hij daar te worden ingelopen door een fietstoerist, die even aan de aandacht van de begeleidende motorpolitie was ontsnapt.

Hilariteit alom, behalve bij de arme De Clercq, die nog een vernedering moest ondergaan. Op de voorlaatste berg, de vreselijke Cormet de Roselend, ging hij niet harder dan een achtervolgende trimmer. Vastbesloten La Plagne te halen begon De Clercq aan de slotklim. Een stortbui werd hem daar te veel. Hij zwalkte op zijn fiets, stak zijn hand op en werd naar de bezemwagen geleid. Prompt stortten de 'aasgieren' zich op hem: de camera's richtten zich op hem, hij kreeg een microfoon onder zijn neus geduwd en journalisten stelden vragen.

De Clercq bleek achteraf één van de vijf rijders van Lotto te zijn die de bergrit niet overleefden. Ploeggenoten Frison, Moreels en Verdonck overschreden in La Plagne de tijdslimiet. Na het al eerder opstappen van kopman Nelissen en Sergeant, afgelopen dinsdag, heeft de Belgische equipe nog maar twee renners in de strijd, Farazijn en Tsjmil.

Na gedane arbeid spoedde de voiture balai zich de berg op, naar de volgende klant. De versnellende auto strandde spoedig op Emmanuel Magnien, die in de plotseling neerkletterende regen verwoede pogingen deed de meet te bereiken. De Fransman slaagde. Trots zwaaide hij op La Plagne naar zijn familieleden, die de zware neerslag trotseerden. Enige minuten later kreeg hij een klap in zijn gezicht, toen hij van de Tour-organisatie hoorde dat hij te laat binnen was gekomen, net als een elftal anderen. De glimlach op zijn gezicht maakte plaats voor tranen.