Oma's fiets

Naar ik heb begrepen hebben de voetballers die in 1974 namens Duitsland en Nederland de finale om het Wereldkampioenschap in München tegen elkaar speelden, dat grootse gebeuren heel dunnetjes overgedaan. En niet voor het eerst, want ik herinner mij een huiskamer-achtig gebeuren zo'n anderhalf jaar geleden in de Haagse Houtrusthallen, waar exact hetzelfde sprookje werd opgevoerd. Want het was zeer vredig bedoeld, zowel nu in Aken als toen in Den Haag: beste brave sportvrienden onder elkaar laten we nu eens ophouden over de tegenstellingen, vermeend of reëel, tussen beide landen. Het schijnt daarbij vooral aan ons te liggen. Nederlanders vertelden via spandoeken aan hun oma, dat haar fiets eindelijk terecht was - menigeen heeft daar smakelijk om moeten lachen - te meer, omdat uit die tekst toch niets boosaardigs bleek. Maar inderdaad, in de jaren na Oranje's eigen schuld-dikke-bult-nederlaag van 1974 is elke volgende ontmoeting met onze voetballende oosterburen door hysterie van onze kant begeleid. In de ogen van de massa mocht van iedereen verloren worden, als de Duitsers maar een lesje kregen. En uit de manier waarop Cruijff en diens makkers die WK-finale speelden bleek ook hun aversie tegen de landsaard van de tegenstanders - al zullen zij dat wellicht nooit hardop toegeven. Er sprak een ongezonde afkeer uit, welke uitmondde in een hautaine aanpak van de wedstrijd. Het ging niet om de goals. De Duitsers moesten voor schut worden gezet. We weten hoe dat afliep, ook al doordat Beckenbauer de geluksgodin aan zijn kant had weten te krijgen: een charmeur eerste klas en toen hij onlangs Cruijff via een beeldverbinding toesprak, kon je zien dat hij nog steeds in staat is de halve wereld in te palmen, de redder van Barcelona inbegrepen.

Maar ik ben het met Jan Mulder eens, die tijdens een symposium heeft gezegd dat het de schuld van veel haatdragende Nederlanders is dat voetbalvolken na tientallen jaren nog altijd wat jennerig tegenover elkaar staan. Was dat vroeger dan niet zo? Niet de Duitsers, maar de Belgen waren toch onze aartstegenstanders op het voetbalveld? En we spraken na een 9-1 overwinning op de Rode Duivels toch van de “FeyeMoord”? En de Oranje-mannen mochten toch van Jan en Alleman verliezen (desnoods), als er jaarlijks maar victorie kon worden gekraaid tegen de Belgen. Maar het gekke was, dat de populairste Belgische spelers uit die jaren ook in Nederland bijzonder populair waren. De Antwerpse visboer Rik Coppens en de ambtenaar ter secretarie van Deurne, Jef Mermans, stonden hoog aangeschreven bij het Nederlandse publiek. Rechtsbuiten Torke Lemberechts trouwens ook, net als aanvoerder Vic Mees en back Pol Anoul. Ook over hen wilde men in ons land veel weten en veel lezen. Ik werkte in de vijftiger jaren bij een regionale krant en toen ik uit Antwerpen na een Belgisch-Nederlands duel op de redactie kwam en de hoofdredactie belde met de mededeling dat de wedstrijd dermate armzalig voetbal had opgeleverd (plus slechts een enkel doelpunt), dat ik mij ontslagen achtte van de plicht om er een hele pagina over te schrijven, kon ik op geen enkel begrip rekenen. België-Nederland had recht op een volle pagina, al was er van aanvaardbaar voetbal totaal geen sprake geweest. Het leesvolk eiste een groot, meeslepend verhaal en dat moest er komen. Of het meeslepend was weet ik niet, maar het grote verhaal kwam er. Laat ik er haastig bij zeggen: er was nog geen televisie. Controle ontbrak. En tevens de zin voor de nuchtere werkelijkheid. Die kwam later en toen trok de eens zo beroemde 'derby der lage landen' nauwelijks 10.000 toeschouwers meer. Het sprookje had zichzelf overleefd.

Zo zal en moet het ook gaan met de publieke sfeer rond de duels tussen Nederlanders en Duitsers. Trouwens: het ligt niet aan de spelers. Die accepteren elkaar heus wel. Oma heeft haar fiets trouwens al lang terug.