Hijgbalgen

Optima 47, Verhalen voor de zomer. Contact, 122 blz. Prijs ƒ 12,50

Het zomernummer van Optima bevat literaire verhalen die voor het grootste deel in de ik-vorm geschreven zijn. Opmerkelijk is een gegeven uit de biografische notitie over de dichter en Volkskrant-redacteur Michaël Zeeman: “(1958) Was onder meer werkzaam in het begrafeniswezen, voordat hij de dichter werd (...).” Zijn 'Herinnering aan het Noorden' is geschreven vanuit het perspectief van een ober, een vrouwelijke, zo blijkt pas na een aantal bladzijden. En mank, en ook nog verliefd op een gast. Zeeman schrijft in een soms bijna archaïsch proza, maar uiterst doeltreffend. “O, mocht hij mij liefhebben, dacht ik, mocht ik erachter komen hoe dat werkte, hoe je de vluchtigheden en onnozelheden zo kunt behandelen dat je ze mee kunt nemen.” De arme serveerster is ten einde raad van onzekerheid. “Wat had ik hem trouwens moeten vragen zonder een potsierlijke situatie te scheppen? (-) Waarom hij zijn boeken vastpakte of het kinderen waren die hij op rugklachten onderzocht?” Het draait allemaal uit op een ordinaire zij het ongezonde zwangerschap, maar Zeeman weet van het geheel een universeel-absurde gebeurtenis te maken.

Nog meer onmogelijke liefde bij Helga Ruebsamen, van een heer voor een drankzuchtige moeder van een schoonheid. “Hij zou haar stomme krullen, haar opengesperde ogen, haar mollige handjes en voetjes prijzen alsof hij nog nooit zoiets verrukkelijks had mogen bezingen als een neurotisch uitgerangeerd wijf van dik in de vijftig. Lucas Visch was een gentleman. Hij was bij haar aan het verkeerde adres.” Voor heer en dochter verstopt de alcoholica zich in de wastafelkast. “Gezegende stilte, je kon schreeuwen, snotteren en vloeken zoveel als je wilde, geen mens die je hoorde. Maar dan had je er eigenlijk niks aan.” Ontluisterender dan Ruebsamen zet niemand zo'n vrouw neer.

In dit zomernummer vallen verder vooral de verhalen van Ingrid Verhelst, Louise O. Fresco en Marian Pankowski op. De Vlaamse Verhelst bedient zich van een opdringerig soort proza dat het beste hardop gelezen kan worden. Een ontevreden ziekenhuispatiënte zet het op een gillen - “Haar jarenlang opgekropte frustraties overspoelden het ziekenhuis en alle moedermelk stremde. Net-niet-geborenen wrongen zich ijlings terug in de schoot, bijna-doden gaven opgelucht de geest, en alles wat daar tussenin zat: zenuwbonken, weekharten, kankeraars, brekebenen, ledemaatlozen, hijgbalgen, bierlevers, gezichtsverliezers en leeftijdlijders, kroop jankend onder de lakens.”

Fresco laat in haar prozafragment 'Dode kennis' een meisje haar eigen fantasie ontdekken; en de Poolse schrijver Pankowski is de enige niet-Nederlander in dit nummer.