Een vriendenclub, meer niet

Vroeger placht de boodschapper van slecht nieuws gedood te worden. Maar wat deden ze met de boodschapper die helemaal niets te melden had? Dat vroeg ik me af toen ik het interview met Gerrit Jan Wolffensperger, fractieleider van D66 in de Tweede Kamer, in het laatste nummer van Vrij Nederland (8 juli) las.

Dat is toch een gulden gelegenheid - zo'n interview, dat bovendien twee volle pagina's beslaat? Maar nee, niets wordt ervan gebakken, hoewel de kop zo veelbelovend luidt: “Gerrit Jan Wolffensperger gaat in de aanval”.

Onvermijdelijk gaat het gesprek voor een groot deel over Bolkestein. Zijn politieke tegenstanders - en vooral die van links - zijn gefascineerd, ja gebiologeerd door die man. Hij is het die het politieke discours bepaalt, en dat is hoogst ergerlijk voor progressieven, die zich in een positie verplaatst zien die niet overeenkomt met hun zelfbeeld: te moeten reageren in plaats van te initiëren.

Evenmin past het in het progressieve zelfbeeld dat iemand van rechts hen intellectueel allemaal in zijn zak steekt. Links matigde zich immers vanouds het monopolie van intellectualiteit aan? En die aanspraak was, althans in Nederland, lange tijd niet geheel ongegrond.

Wat stelt Wolffensperger daar nu tegenover? Opmerkelijk is dat wat hem vooral in Bolkestein tegenstaat, is “dat hij alles wat naar idealisme zweemt, afwijst”. Nu zijn idealen heel mooi, maar je moet er wel bij zeggen wat de inhoud van die idealen is. Per slot van rekening werden ook heel wat communisten, ja zelfs fascisten door idealen gedreven.

Idealisme op zichzelf zegt dus niets - net zomin als visie of engagement op zichzelf een aanbeveling is. En nu is het opvallend hoe vaak Wolffensperger het woord idealen of idealisme in zijn interview gebruikt - zonder aan te geven wat het inhoudt. Op z'n minst acht keer neemt hij het in de mond. Een bloemlezing:

“Ik heb zelf in de jaren zeventig bij de generatie gehoord die nieuwsgierig naar de wereld achter het IJzeren Gordijn was. (...) We werden door idealisme voortgedreven.” Welke idealen? Dat zegt hij er niet bij. We zijn nu twintig jaar later - twintig jaar waarbinnen dat IJzeren Gordijn is verdwenen (niet als gevolg van idealisme) - maar dat onbepaalde idealisme geeft hem kennelijk nog steeds een warm gevoel.

Belangrijker is wat hij over de progressieve partijen zegt: “We moeten ons eigen gezicht meer laten zien. (...) Onze kiezers verwachten van ons niet alleen standpunten, maar ook een visie. Iets van een ideaal.” (Blijkbaar heeft hij dit met nadruk gezegd, want het woord is cursief gezet.) “We formuleren onze idealen niet duidelijk genoeg.”

Alweer dat lege woord idealen, voor de gelegenheid aangevuld met het even lege visie. Interessant is ook dat hij - bij gebrek aan inhoud? - het vooral zoekt in de formulering, de presentatie. Dat doet de Britse premier John Major ook na elke nieuwe nederlaag: we hebben een boodschap, maar kennelijk slagen we er niet voldoende in die over te brengen.

Op dat thema van de presentatie borduurt hij nu voort. Hij heeft voor zijn partij een notitie geschreven over de consequenties van een halfjaar paars. “Daarin werd gesignaleerd dat we er niet in geslaagd zijn voldoende uit de verf te komen” (ook weer gecursiveerd). Er kwam een discussie, en de conclusie “luidde dat de fractie van nu af aan een meer beeldbepalende rol moet gaan spelen”. Het gaat dus om het beeld, niet om de inhoud.

Daarop werd afgesproken “dat er een notitie zal verschijnen waar de eigen identiteit van D66 wordt gedefinieerd. Waarin de idealen” - daar heb je dat woord weer! - “van de oprichters aan de moderne tijd worden getoetst”. Een identiteit heb je of heb je niet. Die wordt niet per notitie gedefinieerd.

Vooral nu D66 in het kabinet zit, is het “gedwongen onze eigen plaats in het politieke spectrum te bepalen”. Daarvóór bestond die dwang blijkbaar niet en mocht er onzekerheid over die plaats bestaan. “Wij willen een idealistische partij zijn.” Heel sympathiek, maar op zichzelf zegt het helemaal niets.

Maar... “wij zijn geen overspannen idealisten. We hebben een ander begrip van solidariteit” - ook al weer zo'n leeg woord: solidariteit met wie? - “dan de PvdA”. Ha, nu komt het, denkt de lezer. Een identiteit laat zich immers alleen bepalen in het verschil, het contrast met iets anders. Wat is het verschil dus tussen D66 en PvdA?

“Ik heb wel eens gezegd: de PvdA richt zich op de bevolkingsgroepen die solidariteit nodig hebben. D66 vertegenwoordigt de mensen die solidariteit met de zwakken in de samenleving willen opbrengen.” De PvdA vertegenwoordigt dat soort mensen dus niet? Dat lijkt me sterk. In elk geval lijkt het verschil te dun om er een identiteit aan te kunnen ontlenen, en een hels karwei voor D66 om dat “duidelijk naar buiten (te) gaan brengen” (opnieuw cursief).

Deze leegheid, die woorden niet kunnen maskeren, is, zo valt te vrezen, kenmerkend voor D66. Immers, in een interview in Het Parool (6 juli) zegt het Tweede-Kamerlid voor D66 mr. Marijn de Koning - toch niet een van de domsten -: “Je hoort wel dat de positie van D66 moeilijk te herkennen is. Maar dat geldt toch vooral voor buitenstaanders.” Nu, van die buitenstaanders moet D66 het toch bij de verkiezingen hebben! Of wil het een vriendenclub blijven, voor wie de gezelligheid belangrjker is dan de groei?