De pers is de beste bondgenoot van de Bosnische moslims

Het publicitaire succes van de Bosnische moslims is in de eerste plaats een gevolg van de tekortkomingen van de Westerse pers, vinden René Grémaux en Abe de Vries. De journalisten zijn vooringenomen, slecht voorbereid en vaak op de verkeerde plaats.

De moslim-regering in Sarajevo hoeft helemaal geen propaganda te voeren, zegt Muhamed Sacirbey, de goed ogende en perfect Amerikaans sprekende Bosnische minister van buitenlandse zaken. 'Dode kinderen op tv spreken voor zichzelf' (NRC Handelsblad, 17 juni). In werkelijkheid hebben de Bosnische moslims aan het woord 'propagandacampagne' zelfs een geheel nieuwe inhoud gegeven, zoals blijkt uit vorig jaar gevoerde discussies in bladen als Foreign Policy, Die Weltwoche en Die Zeit. Hun publicitaire succes is op de eerste plaats een gevolg van de beperkingen van de westerse pers zelf:

Neem de journalist. Een ambitieuze, meestal links-liberale en geëngageerde nieuwsproducent, die doorgaans het Servokroatisch niet beheerst en daardoor ter plekke gemakkelijk het mikpunt wordt van manipulatie. Bij aankomst in 'het zwarte gat van Europa' hebben de meeste journalisten helaas geen gedegen kennis van de complexe Bosnische problematiek. Ze worden pardoes naar het strijdtoneel gezonden met als enige bagage hun door de pers geregisseerde verontwaardiging over de oorlogsgruwelen. Vroeg of laat worden ze allemaal lid van de 'doe-iets-club', zegt Martin Bell van de Daily Telegraph.

Neem de locatie. Veel journalisten verkiezen een verblijf in Sarajevo boven moeizame, gevaarlijke en tijdrovende reizen naar Zagreb, Belgrado of afgelegen Bosnische plaatsen. Sarajevo is de perfecte plek voor mensen als Peter Arnett van CNN ('My philosophy is to go where the news is'). Negen van de vijftien CNN-reportages over Bosnië-Herzegovina tussen 27 december 1993 en 10 januari 1994 hadden het leven in de stad als onderwerp. Journalistieke genres als de 'human interest' reportage en het 'Sarajevo dagboek' zijn razend populair. Dit soort berichtgeving negeert politieke nuances, drijft op bloedige incidenten en vertoont opvallende overeenkomsten met de manier waarop bij ons over bijvoorbeeld auto-ongelukken en afrekeningen in de onderwereld wordt bericht.

De commercie. Nieuws is geld en gruwelijk nieuws is méér geld. Desnoods wordt het Bosnische nieuws uitgevonden door gebruik te maken van insinuaties, verdachte bronnen en fantasierijk knip- en plakwerk, hetzij 'on the spot' of op de redacties in West-Europa en de Verenigde Staten. Newspooling (het centraal aanbieden van berichten in een vergaarbak) drukt de kosten, maar onvoldoende verificatie is niet zelden de prijs die hiervoor moet worden betaald. Eén van de meest alarmerende aspecten van deze commerciële publikatiedwang is de machtsposities van peperdure pr-bureaus, zoals het door de Kroaten en de Bosnische moslims ingehuurde Ruder Finn in Washington. (Op Amerikaanse en Canadese televisiestations gaven de Kroaten meer geld uit aan PR dan Coca Cola en Pepsi samen).

Het perpetuüm mobile van de Bosnië-verslaggeving is de verontwaardiging over het feit dat zo'n bloedige oorlog anno nu in Europa - uitgerekend in Europa - mogelijk is. De woede betreft vooral het lot van de moslims.

Een nuchtere gedachtenwisseling over de oorlog is er in Nederland nooit geweest. Hier liepen de emoties hoog op en was volgens Lord Owen 'onwerkelijk moralisme' schering en inslag. Slechts enkele mediagenieke thema's - 'etnische zuiveringen' en andere schendingen van de mensenrechten - overheersen de schijndiscussie die maar niet tot een echt debat wil uitgroeien. Dat vele commentatoren zo het slachtoffer zijn geworden van oorlogspropaganda staat buiten kijf, maar wie durft het te bekennen?

Het is duidelijk dat de Serviërs de media-oorlog hebben verloren, als ze die al ooit echt zijn aangegaan. “De Servische media lieten al vroeg het idee varen dat ze de invloed van de leidende internationale media konden neutraliseren”, schrijft Predrag Simic van het Instituut voor Internationale Politiek en Economie in Belgrado. Veelzeggend is de gebrekkige aandacht die er was voor de vele gruweldaden die ook de 'agressors' van meet af aan werden aangedaan. Die kwamen verdraaid, of te laat, of helemaal niet in het nieuws. Een paar voorbeelden mogen volstaan:

Op 27 maart 1992 (tien dagen voor de erkenning van Bosnië-Herzegovina) omsingelden eenheden van het Kroatische leger het Noordbosnische dorp Sijekovac bij Bosanski Brod. 's Nachts werden 12 Servische burgers door hun Kroatische en moslim buren vermoord. Een officieel onderzoek werd afgebroken. Ondanks de aanwezigheid van vele reporters in Sarajevo maakte niemand gewag van deze eerste massamoord van de Bosnische oorlog.

Een tweede tragedie vond plaats op het Kupres-plateau in Centraal-Bosnië, waar op 3 april 1992 (drie dagen voor de erkenning) 55 Servische burgers door lokale Kroaten en moslims en door militairen van het reguliere Kroatische leger om het leven werden gebracht. Meer dan 100 mensen worden nog steeds vermist. Ook hiervoor was in de westerse media geen aandacht.

Op 16 mei 1992 resulteerde een onverhoedse aanval van moslim-eenheden op Pofalici, een wijk in het noorden van Sarajevo, in ca. 200 slachtoffers. Huizen werden in brand gestoken, burgers doodgeschoten of de keel afgesneden. Persmeldingen bleven achterwege.

In september 1992 bezocht Roy Gutman, de Amerikaanse journalist en Pulitzerprijs-winnaar die veel opzien had gebaard met zijn reportages over de Servische 'concentratiekampen', de plaats van de moord op 17 Serviërs bij Banja Luka. Het desbetreffende artikel van Gutman werd om onopgehelderde redenen pas op 13 december in Newsday gepubliceerd.

De massamoord in de Drina-vallei bij Josanica in Oost-Bosnië op 19 december 1992 (waarbij 51 Serviërs werden gedood) werd pas openbaar gemaakt in september 1993 door George Eykyn van BBC Breakfast News.

Wat wèl op tv verscheen of in de krant werd afgedrukt was lang niet altijd betrouwbaar. Incidenten waarbij men meteen de Serviërs verdacht werden achteraf, na onderzoek door de VN, 'met enige waarschijnlijkheid' aan de moslims toegeschreven. De Britse journaliste Joan Phillips onderzocht de explosie in de rij wachtenden voor brood in Sarajevo op 27 mei 1992 (om maar één zo'n incident uit een hele serie te noemen). De betreffende straat was een week afgesloten geweest, een tv-ploeg was 'toevallig' in de buurt en de verwondingen van de slachtoffers wezen op een van tevoren geplaatste, op afstand tot ontploffing gebrachte bom in plaats van op een mortiergranaat. Onder de slachtoffers van dergelijke vermoedelijk door speciale moslim-eenheden uitgevoerde acties telde men behalve moslims ook veel in Sarajevo achtergebleven Serviërs.

Muhamed Sacirbey mag nog zo luid 'bullshit' roepen als de interviewers van deze krant hem vragen of moslim-autoriteiten eigen mensen opofferen om de publieke opinie in het Westen te beïnvloeden, hij heeft alle schijn tegen. Ook de politieke timing van dergelijke aanslagen vormt een aanwijzing. Een paar dagen na het genoemde 'breadline massacre' werden de sancties tegen Servië en Montenegro ingesteld. Izetbegovic gaf toen te kennen slechts twee mogelijkheden te zien: buitenlandse interventie of de dood van zijn volk.

Niet bekend

Er is terecht gezegd dat in de Joegoslavische oorlog de pers zelf deel uitmaakt voor het slechte nieuws. Het resultaat: een wijd verspreide verwrongen perceptie van het conflict. Onder druk van de media heeft het Westen een volstrekt onkritische houding aangenomen jegens de machtsaanspraken van de moslim-regering en bij haar de illusie gevoed dat de Bosnische eenheidsstaat toch tot de mogelijkheden behoort. In westerse hoofdsteden was een luide roep om ingrijpen het gevolg. Het zou echter goed zijn om eindelijk eens op te houden met het zoeken naar snelle, eenvoudige en 'moreel aanvaardbare' oplossingen die het zicht ontnemen op meer realistische opties voor politiek handelen.