De open samenleving en haar kampioenen

ROTTERDAM. Een open samenleving. Nog maar een kwart eeuw geleden was dat een programma, tegenwoordig bijna een cliché. Heeft niet iedereen gelijke kansen? De zoon van de melkboer kan directeur worden, en zijn dochter bedrijfseconoom. Ze moeten een beetje geluk hebben, maar als ze willen en als ze kunnen, dan lukt het ook meestal. Dat komt doordat bij de selectie van functies het genoten onderwijs steeds belangrijker is geworden. En omdat het onderwijs dat de Nederlanders volgen steeds minder gebonden is aan het beroep van hun ouders, hebben ook de de kinderen van de melkboer de maarschalksstaf in hun ransel. “Onderwijskansen zijn bepalend geworden voor beroepssucces en hangen steeds minder af van sociale herkomst” - schrijven de onderwijssociologen De Graaf en Luijkx in de recente bundel Verschuivende ongelijkheid in Nederland. Zelden kon een sociale revolutie zo bondig worden samengevat.

Toen de open samenleving nog meer programma dan werkelijkheid was, zo halverwege de jaren zeventig, maakten mensen met visie een plan voor een onderwijsinstelling waarmee die samenleving een flink eind op weg werd geholpen: de Open Universiteit. Iedereen die er niet aan was toegekomen kreeg een tweede kans. Of je nu de benodigde vooropleiding had of niet, je kon in de avonduren en in de weekends doctorandus of meester in de rechten worden, je kon thuis werken aan een toekomst die in overeenstemming was met je werkelijke capaciteiten. In 1983 ging de Open Universiteit van start.

In Modulair, het voorlichtingsblad van de OU, stonden op 1 juni onder het hoofdje 'Afgestudeerden' de namen van veertien studenten. Zeven van hen waren beschikbaar voor een kort telefoongesprek en vertelden over hun tweede kans, hun carrière en hun toekomstverwachtingen.

J. van Gerdingen is 46 jaar. Hij werd onlangs meester in de rechten. Hij is secretaris-directeur van een waterschap in Zuid-Holland. In het begin van de studie kreeg hij wel eens last van zijn ogen als hij zat te blokken, maar verder is het hem wel meegevallen. Daar kwam bij dat hij door zijn vooropleiding - de hogere bestuursacademie - al tamelijk juridisch geschoold was. Hij had ook een hele serie vrijstellingen. Je moet wel echt gedreven zijn, zegt hij, anders haal je het niet. Promotie binnen zijn waterschap kan hij eigenlijk niet meer maken, maar er is hem al hier en daar een andere baan aangeboden. Het bestuur van zijn waterschap wil graag dat hij blijft, en als hij dat zou doen, dan kon daar in de salarissfeer wel wat tegenover worden gesteld.

A. Koster (43) en J. Höppener (38) kennen Van Gerdingen wel, want zij hebben hetzelfde programma gevolgd. Koster heeft een staffunctie bij een energiebedrijf, Höppener is gemeentesecretaris in het Limburgse. Ze hebben alletwee, net als Van Gerdingen, eerst de hogere bestuursacademie gevolgd, en ook zij hadden een aantal vrijstellingen. Koster is via de mulo, de hbs en de bestuursacademie opgeklommen, en had altijd al een universitaire studie willen volgen. Na de vakantie gaat hij eens praten over doorstroommogelijkheden in zijn bedrijf.

Höppener zag zijn studie als een vorm van zelfontplooiing, niet als een last. “Ik zocht een mogelijkheid mijn opleiding universitair af te ronden.” Materieel gezien wordt hij er niet veel wijzer van, de salarissen van gemeentesecretarissen liggen vast. Maar daar ging het hem ook helemaal niet om.

M. Officier (43) heeft net zijn doctoraal bedrijfskunde gehaald. Hij is hoofd van een ontwerpafdeling bij Philips. Hij volgde een paar cursussen bij de Open Universiteit, en kreeg halverwege het idee om er dan ook maar een echte studie van te maken. Om de titel deed hij het niet, want hij is per slot van rekening al wiskundig ingenieur. Het was gewoon interessant om vakken te volgen waarin je je anders niet zo gauw zou verdiepen. Heel veel moeite had het hem niet gekost, hij zat gewoon met een boek bij de televisie.

F. Gaikema is 35. Hij heeft een paar maanden zijn doctoraal milieubeleid op zak. Van origine is hij chemisch analist, en hij werkt bij de Keuringsdienst van Waren. Zijn doctoraal haalde hij om op den duur misschien een betere functie te kunnen bekleden, maar ook uit een soort hobby, zegt hij. “Om te bewijzen dat je het academische niveau ook aankan.”

L. Dijksman (42) is sinds kort meester in de rechten. Hij is wachtgelder, had geen sollicitatieplicht, en bracht de afgelopen jaren studerend door in de provinciale bibliotheek in Leeuwarden. “Dat was mijn tweede huis”, zegt hij. Een echte baan heeft hij nog steeds niet, wel doet hij vrijwilligerswerk als sociaal raadsman. Maar om een baan was het hem in eerste instantie ook niet begonnen. Hij is nogal beschouwend van aard, vertelt hij, en hij wilde gewoon wat meer over de samenleving leren. “Wat ik niet weet, dat boeit me.”

Tot slot A. Maas (43). Hij is ingenieur geworden, informatietechnoloog. In zijn functie als adjunct-directeur van een technische school komt dat wel van pas, maar, zegt hij, het is eigenlijk meer een liefhebberij die uit de hand is gelopen. Veel offers heeft hij er niet voor hoeven te brengen, als de televisie aanstond was dat geen probleem.

Zeven kersverse academici, die hun titel haalden terwijl de televisie aanstond. Die allemaal zeggen dat het vooral een hobby was. Die op één na allemaal al een mooie baan hadden.

Het was natuurlijk aardiger geweest als onder deze doctorandussen en meesters in de rechten ook een huisvrouw was geweest, een magazijnbediende, een boerin, een huisschilder en een uitgerangeerde bibliothecaresse. Maar zo open is de samenleving toch nog niet.

Of juist wel? Is het niet logisch om te veronderstellen dat als je alle gelegenheid en medewerking geeft, het vooral de slimsten en de best gemotiveerden zullen zijn die naar voren komen? En is het feit dat die slimme en gemotiveerde mensen in de meeste gevallen al een mooie baan hebben niet een bewijs voor de stelling dat in deze samenleving de posities al tamelijk eerlijk zijn verdeeld? Dat we kortom de meritocratie allang hebben bereikt en dat het werkelijke talent niet gefnuikt wordt?

Het is een mooie, maar ook een onbehaaglijke gedachte. Want als het allemaal waar is, dan zijn ook de posities aan de onderkant van de samenleving het resultaat van een eerlijke verdeling. Dan is emancipatie in het vervolg een kwestie van eigen verdienste, en blijven steken een kwestie van eigen schuld.