Burger kan straks wetsvoorstel afwijzen

DEN HAAG, 11 JULI. 'Wie greep wil krijgen op concrete problemen, moet luisteren naar de burgers die ermee leven.' Het kabinet-Kok liet er in het regeerakkoord geen twijfel over bestaan: de burger moet meer invloed krijgen op de politiek. Maar hoe? Het blijkt nog lastig genoeg, want na een klein jaar nadenken is het dossier-'staatkundige vernieuwing' van het 'paarse' kabinet nog volop onderwerp van discussie.

De meest besproken verandering is het correctief wetgevingsreferendum. Burgers kunnen in de toekomst een wetsvoorstel verwerpen dat al door het parlement is aanvaard. Die uitspraak van de bevolking is bindend, in tegenstelling tot de lokale referenda die eerder dit jaar in Amsterdam en Rotterdam werden gehouden. Wel wordt er een minimum gesteld aan het aantal mensen dat zijn stem uitbrengt: volgens het kabinet is dertig procent voldoende.

De referenda over de stadsprovincie hebben het proces vertraagd, zo zeggen bronnen rond het kabinet. De politieke commotie die ontstond hebben de tegenstanders van het referendum een nieuw wapen in handen gegeven. Staatkundig schortte het vooral aan het feit dat er een plan doormidden werd gezaagd door de bevolking van twee steden die formeel geen zeggenschap hebben over de bestuurlijke herindeling van de regio.

Bij het landelijke referendum zal de vraagstelling geen discussie vormen. De vraag zal altijd luiden: bent u voor of tegen het wetsvoorstel? De vraag spitst zich vooral toe op de onderwerpen die moeten worden uitgezonderd van een volksraadpleging. Zo wil de VVD, van oudsher geen voorstander van het referendum, grote beslissingen over infrastructurele werken uitzonderen van de landelijke volksraadpleging, zoals de uitbreiding van Schiphol of een nieuwe spoorlijn. Dergelijke projecten worden immers niet bij wet, maar in zogeheten planologische kernbeslissingen vastgelegd. Maar als de burger zich over dergelijke zaken niet mag uitspreken, zeggen de fracties van D66 en PvdA, wat is dan het nut van het referendum? Ook verantwoordelijke VVD-minister Dijkstal redeneert in die lijn. Volgens het kabinetsvoorstel zullen de pkb's dan ook 'referendabel' worden.

Maar ook D66, dat zonder een paragraaf over het referendum niet in het kabinet wilde plaatsnemen, ziet een aantal onderwerpen dat niet geschikt is voor een referendum. Zo zullen nagenoeg zeker wetsontwerpen inzake het Koninklijk Huis worden uitgezonderd. Een veelgenoemd voorbeeld is de formele goedkeuringswet voor het huwelijk van de troonopvolger.

Ook de jaarlijkse rijksbegroting zou geen onderwerp van een referendum mogen worden, vinden de partijen. Vertraging als gevolg van een referendum zou een onwerkbare situatie voor het rijk met zich meebrengen, omdat er dan een beperking zou komen op de uitgaven.

Voor het kiesstelsel heeft het kabinet een variant bedacht dat politici meer regionaal moet binden. Naar voorbeeld van het Duitse systeem zou de helft van de honderdvijftig Tweede-Kamerleden worden gekozen van de reguliere kieslijsten van de partijen. De andere helft moet komen via vijf kiesdistricten. Landelijke politici, zo is de achterliggende gedachte, worden daarmee duidelijker aanspreekbaar voor burgers die immers hun - regionale - belangen kunnen uitdragen. In de Kamer lijkt weinig weerstand te bestaan tegen deze plannen.

Ook het provinciale en lokale bestuur staat een aantal wijzigingen te wachten. De meest opvallende is de wethouder die in de toekomst niet meer uit de gemeenteraad hoeft te komen. Hetzelfde geldt voor gedeputeerden in de provincie. Daarmee zouden beide lagere overheden dezelfde mogelijkheden krijgen als de landelijke politiek.

Eén van de redenen is de kwaliteit van het lokale bestuur verbeteren door het aantal potentiële kandidaten te vergroten. Het kabinet vindt dat gemeenten zelf moeten kunnen bepalen of de wethouders allemaal van binnen, dan wel allemaal van buiten de raad afkomstig zijn. Wel moet de raad aan het begin van een nieuwe zittingsperiode besluiten welk regime gaat gelden. Wethouders die uit de raad afkomstig zijn moeten hun raadszetel opgeven.

Voor de kabinetsplannen is echter een Grondwetswijziging nodig, die niet voor de eeuwwisseling zal kunnen worden gerealiseerd. Om de mogelijkheden tot die tijd toch te verruimen wil het kabinet eerst Gemeente- en Provinciewet aanpassen. Daarmee wordt het mogelijk één of enkele wethouders van buiten de raad te benoemen. Daarmee kunnen tijdelijk colleges ontstaan waarin een deel van de wethouders uit de gemeenteraad komt en raadslid blijft, terwijl een aantal andere wethouders van buiten komt en geen lid van de raad is. Dit tijdelijke compromis krijgt geen steun van PvdA, CDA en VVD, omdat het verwarrend zou werken en tegen de principieel door het kabinet bepleite homogeniteit van het college van B en W indruist. Wel vinden de fracties dat de Grondwetswijziging kan worden voorbereid. Op dit moment buigen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) over het voorstel.

Ook buigen VNG en IPO zich over een voorstel van Binnenlandse Zaken om de gemeenteraad meer zeggenschap te geven bij de benoeming van de nieuwe burgemeester. Alleen bij hoge uitzondering mag de commissaris van de koningin afwijken van de keuze die de gemeenteraad heeft gemaakt. Na advisering door VNG en IPO zal het kabinet hierover met definitieve voorstellen komen.

    • Rob Schoof