Bescheidenheid zou economen sieren

Niet alleen Fokker, maar ook de Nederlandse economie heeft last van de lage dollarkoers. Staat de Amerikaanse dollar zowel in 1995 als in 1996 een dubbeltje lager dan de f 1,70 waarmee het Centraal Planbureau tot nu toe rekende, dan telt ons land volgend jaar mogelijk dertienduizend méér werklozen. Niet alleen voor Europese vliegtuigbouwers en beleggers, ook voor beleidsmakers in Den Haag is het toekomstige beloop van de dollarkoers dus van groot belang. De afgelopen twaalf maanden bleek het voorspellen van de koers van de Amerikaanse munt echter een hachelijke zaak. Een jaar geleden dachten veel economen dat de dollar, die toen op f 1,85 stond, zou stijgen tot twee gulden. Op dit moment bedraagt de koers van de dollar f 1,56. Blijkbaar zijn economen niet in staat met veel zekerheid voorspellingen over de dollarkoers te doen, constateerde beleggingsanalyst Meijaard vorige week in het vakblad Economisch Statistische Berichten.

Hoewel hun stellige uitspraken over gunstige gevolgen van investeringen in infrastructuur (Betuwelijn, Schiphol) en over bezwaren die kleven aan hoge belastingen en goede sociale uitkeringen anders doen vermoeden, is de kennis van economen over veel door hen bestudeerde verschijnselen nog altijd pover. De armoede van de economische wetenschap wordt treffend geïllustreerd in de laatste aflevering van het toptijdschrift American Economic Review. Bibliotheken zijn er vol geschreven over oorzaken van en remedies voor de massawerkloosheid die Europa nu al meer dan tien jaar teistert. De macroeconomen Blanchard en Jimeno moeten echter vaststellen dat geen van de bestaande theorieën het grote verschil in werkloosheid tussen Spanje (24 procent) en Portugal (8 procent) kan verklaren. In het eerstgenoemde land zijn de lonen tamelijk ongevoelig voor de hoge werkloosheid, terwijl werknemers en hun vakbonden in Portugal de looneisen matigen wanneer de werkloosheid oploopt. Hoe komt dat? Beide buurlanden, sinds 1986 aangesloten bij de Europese Unie, hebben veel gemeen. Veel economen en vaderlandse beleidsmakers denken dat de grote en hardnekkige werkloosheid in Europa valt te verklaren uit de kloof tussen loonkosten en nettoloon (de 'wig'), of het gevolg is van de macht van de vakbonden, ontslagbescherming en goede sociale uitkeringen. Zouden Spanje en Portugal op een of meer van deze punten sterk van elkaar verschillen, dan kan dit een vingerwijzing zijn voor de oorzaken van de 16 procentpunt lagere werkloosheid in Portugal. Overigens bestaan tussen beide landen ook verschillen: zo telt Spanje viermaal zoveel inwoners en verdienen de Portugezen per hoofd van de bevolking slechts twee derde van wat de Spanjaarden verdienen.

Het trekken van internationale vergelijkingen is riskant. Zo is het denkbaar, dat de autoriteiten in beide landen een verschillende werkloosheidsdefinitie hanteren. Dit blijkt echter niet het geval te zijn. Zowel in Spanje als in Portugal is het werkloosheidscijfer gebaseerd op identieke enquêtes die worden gehouden om te bepalen welk deel van de bevolking een baan zoekt. De lage officiële werkloosheid in Portugal is evenmin toe te schrijven aan een omvangrijke verborgen werkloosheid, bij voorbeeld in de landbouw. Ook demografische verschillen spelen geen rol van betekenis. Sinds 1975 groeide de potentiële beroepsbevolking in beide landen met ruim 1 procent per jaar.

Een groot verschil in de 'wig' tussen loonkosten en nettoloon ligt in elk geval niet ten grondslag aan de zo sterk uiteenlopende werkloosheid. In zowel Spanje als Portugal moeten werkgevers en werknemers inmiddels veel belasting en sociale premies over het loon betalen. De afgelopen twintig jaar groeide de collectieve sector in beide landen namelijk fors en in vergelijkbare mate. Ligt het dan misschien aan de macht van de Spaanse vakbonden, die zulke hoge lonen weten te bedingen dat een groot deel van de bevolking uit de arbeidsmarkt wordt geprijsd? Het lijkt er niet op. In beide landen valt ongeveer 70 procent van de werknemers onder een collectieve arbeidsovereenkomst. Loononderhandelingen vinden zowel in Spanje als Portugal per sector plaats, met weinig centrale coördinatie. Wel kwam in Portugal enkele malen een 'centraal akkoord' inzake de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden tot stand.

Op het Iberisch schiereiland is het moeilijk om personeel te ontslaan. De ontslagbescherming van werknemers beperkt de kansen op werk voor baanzoekenden die best tegen een lager salaris aan de slag zouden willen. Zo stuwt ontslagbescherming de werkloosheid op. Ook in dit opzicht bestaan tussen Spanje en Portugal echter slechts betrekkelijk geringe verschillen.

Ten slotte zou het stelsel van sociale zekerheid van invloed kunnen zijn. Wie een genereuze werkloosheidsuitkering ontvangt, is niet geneigd elke aangeboden baan te aanvaarden. Zou Spanje veel royalere uitkeringsregelingen kennen, dan biedt dit een gedeeltelijke verklaring voor het grote verschil in werkloosheid. Hoogte en duur van de uitkeringen bij werkloosheid zijn tegenwoordig in Spanje en Portugal vergelijkbaar. Maar twintig jaar geleden kende Portugal nog helemaal geen uitkering voor werklozen. Ook is het in Portugal moeilijker om een uitkering te krijgen, door de eis dat men gedurende achttien maanden van de voorafgaande twee jaar betaald werk moet hebben verricht. In Spanje hoeft iemand in de voorafgaande vier jaar slechts één jaar te hebben gewerkt. Als gevolg van deze hogere toegangsdrempel ontvangt een kleiner deel van de Portugeze werklozen een uitkering.

Vooral in het verleden waren de werkloosheidsvoorzieningen in Portugal aanzienlijk slechter dan in Spanje. Hierdoor zullen werknemers en hun vakbonden eerder akkoord zijn gegaan met loonmatiging wanneer de werkloosheid dreigde op te lopen. Toch lijkt de uiteenlopende sociale zekerheid een wel erg magere verklaring voor het zeer grote verschil in werkloosheid in beide landen. Economen past bescheidenheid, zolang ze nog zo weinig weten over de werkelijke oorzaken van structurele werkloosheid in een land.

    • Flip de Kam