Van trommelen op de tafel in de les word ik gek

Joyce van Gelder uit De Bilt

“Eigenlijk wilde ik dwarsfluit spelen, maar bij de showband Jong Jubal zeiden ze dat mijn armen te kort waren. Toen ging ik op piccolo, die is veel kleiner. Dat is twee jaar geleden. Ik was er toen met mijn moeder heen gefietst om eens te kijken. Als ik groot genoeg ben en er komt plaats vrij kan ik door naar de dwarsfluiten. Ik vind een dwarsfluit mooier dan een piccolo. Want ja, hoe noem je dat, het klinkt veel zuiverder. Ik zat eerst op blokfluit, drie jaar, maar dat vond ik niet leuk meer. Ik had al een heleboel boeken gehad. Hoe ik aan die blokfluit kwam weet ik niet meer.

Jong Jubal gaat naar het buitenland en naar concoursen. Dat vind ik leuk. Bij majorettes duurt het veel te lang voor je de straat opgaat, vind ik. Ik ben al een keer mee geweest naar België. Met een bus. Dat was met carnaval. We moesten daar toen in de regen snel onze uniformen aandoen, om te marcheren. Dat ging toen niet goed. Het was erg koud. De volgende week kwam de voorzitter zeggen dat we het niet zo goed hadden gedaan. Dat vond ik niet leuk. We gaan ook met heel Jong Jubal op kamp. Doen we bingospelletjes, en gaan we lekker laat naar bed.

We beginnen altijd 's woensdag om zes uur, met orkest. Dan zetten we de muziek op de standaard en gaan we praten. De dirigent wacht dan tot tien over zes. Dan gaat hij dirigeren. Hoe die dat doet is me trouwens een raadsel. Al die noten van de trombones, trompetten en zo tegelijk, ik snap het niet. We moeten ook wel eens zacht spelen. Mezzo forte staat er dan, kijk. En daar moeten we harder, daar staat ff. Wat dat betekent weet ik trouwens niet eens. Op maandag hebben we apart les, met alle fluiten in een zaaltje. En dan spelen we dezelfde muziek. Maar het orkest vind ik leuker. Dan hoor je meer dan alleen dwarsfluiten, ook trombones, trompetten.

Op vrijdag oefenen we met de majorettes voor het concours. In Vlissingen waren we vijfde, van de veertien. Het gaat er dan ook om of je wel goed recht loopt en zo. Dat heet richten. Je moet dan opzij kijken of de rij goed is. Maar ik kijk ook wel eens alleen uit mijn ooghoeken. En je moet letten op de tamboer-maître, die geeft een nummer. En dat fluit je dan.

We spelen alles uit het hoofd. Ik oefen ongeveer twintig minuten per dag, maar daarin ga ik ook wel eens naar de wc, of drink ik wat water. Als het warm is, oefen ik in de tuin. Mijn zus doet majorette, die doet dan met me mee in de tuin, ze doet maar wat. Buurjongens beginnen dan vaak met fietsbellen te rinkelen, of te roepen. Maar daar trek ik me niks van aan. Ik ga soms harder blazen.

Een jongen en een meisje van Jong Jubal zitten ook bij mij in de klas. Maar die jongen doet trommelen en dat doet hij ook onder de les, op de tafel. Je wordt er gek van. En we hebben dat wel eens met een groepje na de les tegen de meester gezegd - hij zou er wat van zeggen. Maar dat heeft hij toen niet gedaan. Andere jongens trapten hem na schooltijd wel eens in elkaar. Omdat hij zat te trommelen. Een vriendinnetje van mij gaf hem ook een trap. Maar hij trapte terug en toen ging ze naar de meester. Toen moesten we met de hele klas een afspraak maken. Maar soms trommelt hij nog wel eens. Ik ben de enige van de klas die niet van house-muziek houdt. Verder vind ik alles leuk.

Ik zit ook op Kindercircus, op zaterdag. Leer je lopen op ballen en tonnen. En diabolo en spijkerbed. Dan moet je je concentreren en dan doet het geen zeer. Maar op 3 juli had ik concours en een optreden met kindercircus tegelijk. Toen heb ik gekozen voor Jong Jubal.''