Over een diep ravijn vol wilde dieren

Architecten zullen niet gauw toegeven dat hun scheppingen modieus zijn, toch laten gebouwen zich gemakkelijk dateren. De jaren negentig kennen hun eigen architectuur- mode. Een paar stijl- kenmerken ervan kunnen nu al worden gecatalogi- seerd. Deze week: de luchtbrug.

Bruggen zijn een noodzaak. Zonder bruggen zijn rivieren onneembare hindernissen, tenzij ze natuurlijk doorwaadbare plekken hebben. Luchtbruggen kennen in hun oervorm eenzelfde noodzaak: ze zijn nodig om diepe ravijnen te overbruggen. Maar de luchtbruggen in gebouwen, zoals die de laatste jaren steeds vaker opduiken, ontberen dergelijke noodzaak. Niet woest kolkende rivieren of ijzingwekkende kloven overbruggen ze, maar goed begaanbare begane grond. Luchtbruggen zijn handig en tijdbesparend, dat wel, maar echt noodzakelijk zijn ze niet. Dit is natuurlijk ook precies wat ze zo aantrekkelijk maakt voor architecten. Ze geven hun gebouwen een zweem van luxe.

Er zijn twee soorten luchtbruggen in de architectuur van de jaren negentig: luchtbruggen binnen, die nooit overdekt zijn, en luchtbruggen buiten, die vaak overdekt zijn. De eerste soort, de binnenluchtbrug, hangt samen met een andere architectuurmode van de jaren negentig: het atrium. Klassieke kantoorgebouwen, zoals de Uffizi in Florence, zijn dozen met in het midden lange gangen die aan weerszijden worden omgeven door kantoorruimtes. Moe van dit saaie, maar o zo functionele oertype, kwamen architecten in de negentiende eeuw met het atriumkantoor, waarbij de kantoren rondom een grote open ruimte zijn gegroepeerd. Op de begane grond levert dit geen problemen op, maar wie op bijvoorbeeld de vierde verdieping van zijn eigen kantoor naar dat aan de overkant wil, moet een lange tocht om het atrium heen ondernemen. Luchtbruggen dwars door het atrium heen leveren een aanzienlijke tijdbesparing op, en geven, als het atrium heel hoog en breed is, de kantoorgebruikers iets van het avontuurlijke gevoel van de stoere mannen die in reclamefilmpjes over wiebelende hangbruggen de overkant van een diep ravijn vol wilde dieren moeten zien te bereiken.

De luchtbrug heeft in de jaren negentig een hoge vlucht genomen. Een gebouw dat wil meetellen, kan bijna niet zonder. Het begon bescheiden in 1990 met een kleine luchtbrug in het door Van Gool ontworpen kantoor van de centrale directie van de PTT in Groningen uit 1990. Maar in de loop van de jaren negentig zijn met het groter worden van de atria ook de luchtbruggen steeds opvallender geworden. Die in Jan Hoogstads ministerie van VROM in Den Haag, het voorlopige en waarschijnlijk definitieve hoogtepunt in de atriumarchitectuur, zijn lang en bevinden zich op grote hoogte. En de luchtbruggen in het nieuwe, glanzend witte Haagse stadhuis van de Amerikaanse architect Richard Meier zijn zelfs zo ademstokkend, dat er speciale voorzieningen zijn getroffen voor ambtenaren met hoogtevrees.

Luchtbruggen zijn de laatste jaren niet beperkt gebleven tot kantoren. Sjoerd Soeters liet een luchtbrug zweven in zijn sociaal-cultureel centrum in Diemen, Herman Hertzberger ontwierp een ellipsvormige voor de bibliotheek en centrum voor kunst en muziek in Breda en Baneke en Van der Hoeven plaatsten een heel lange, maar niet zo hoge luchtbrug in hun showrooms in Uithoorn.

De tweede soort luchtbrug, de buitenluchtbrug die twee afzonderlijke bouwdelen door de open lucht verbindt, komt iets minder vaak voor dan de binnenluchtbrug, maar toch vaak genoeg om van een mode te kunnen spreken. Koen van Velsens rijksacademie van beeldende kunsten in Amsterdam heeft er een paar, Wiel Arets Maastrichtse academie van beeldende kunsten kreeg een heel mooie betonnen luchtbrug die vlak langs een oude boom scheert. Zelfs in de woningbouw, de confectie van architectuur, komen luchtbruggen tegenwoordig voor. Heel klein nog en onopvallend in Mecanoo's woningen aan het Maastrichtse Herdenkingsplein, maar heel prominent in de Rotterdamse buurt Tweebos Dwars van het architectenbureau DKV. De luchtbruggen van DKV wijzen de weg naar de grote inspiratiebron voor de huidige mode. Niet op de Brug der Zuchten in Venetië lijken ze, want dat is een echte brug over een grachtje, maar op de luchtbruggen van de Van Nellefabriek in Rotterdam, het beroemde gebouw uit 1930 van Brinkman en Van der Vlugt dat elke Nederlandse architect op het netvlies staat gebrand.