Nationaal belang is als criterium maar beperkt bruikbaar; Een sterke krijgsmacht is altijd van belang

Er zijn in Europa tal van conflicthaarden, en irrationaliteit voedt dikwijls het vuur. Westerse instituties die zich met veiligheid bezighouden ontwikkelen theorieën hoe een en ander moet worden beheerst, maar de praktijk is afhankelijk van nationale beslissingen. Door de groeiende publieke invloed is de rationaliteit van die beslissingen soms ver te zoeken. Niets is voorspelbaar als het over veiligheid gaat.

Als gevolg van de niet ingeloste verwachtingen bij recente crisisbeheersingsoperaties waar de Nederlandse krijgsmacht bij betrokken was, begint men uitspraken te doen over de voorwaarden voor het toekomstig gebruik van de krijgsmacht. De heer Bolkestein gebruikte het partijcongres van de VVD van 17 juni hiervoor. Bij D66 verscheen op diezelfde dag een rapport van het wetenschappelijk-bureau van die partij. “Nationaal belang is het enige echt werkbare criterium” als het over de inzet van onze krijgsmacht gaat, zegt het laatstgenoemde rapport.

Bolkestein zegt: “Deelname dient in de eerste plaats op nationaal belang te zijn gebaseerd.” Maar dat is toch altijd zo geweest? Onze grondwet zegt toch niet voor niets: “Ter bescherming van de belangen van de staat is er een krijgsmacht” (art. 98). Er is toch geen verschil tussen 'belangen van de staat' en 'nationaal belang?' De krijgsmacht is toch nooit gebruikt als het niet ging om belangen van de staat, hoop ik? Nationaal belang als criterium lost dus niets op. Het zou er om moeten gaan vast te leggen wat, onder bepaalde omstandigheden, als nationaal belang wordt gezien. Dat kan eigenlijk niet, omstandigheden bepalen het nationaal belang.

Het allesoverheersende nationale belang is de continuïteit van de staat en de veiligheid van de inwoners. Dat is slechts te bereiken in bondgenootschappelijk verband en onze grootste zorg moet zijn die krijgsmacht zo in te richten dat samen met de bondgenoten die veiligheid kan worden gegarandeerd.

Solidariteit met een bondgenootschappelijke actie, moet hier het leidende beginsel zijn. Daarnaast zullen er vele andere aanleidingen kunnen zijn om delen van de Nederlandse krijgsmacht in te zetten, buiten het NAVO-gebied in VN- of ander verband of, en dat zal steeds meer voorkomen, bij conflict-inperkende acties, waarbij één van de grotere landen het initiatief neemt en een gelegenheidscoalitie vormt. Ook hier zal de krijgsmacht dan een instrument van buitenlandbeleid zijn. Wat wel en wat geen nationaal belang is, daarover valt niets van te voren te zeggen.

Buitenlandbeleid is ondeelbaar. Bijna alle facetten van staatszorg hebben internationale raakvlakken waarbij men afhankelijk is van de goodwill van andere landen. Solidariteit op het ene vlak heeft zijn rendement op het andere, op omstandigheden moet worden ingespeeld.

Illustratief voor de internationale perceptie van het Nederlandse defensiebeleid is onze betrokkenheid bij het conflict in het voormalige Joegoslavië. Wie de internationale media volgt, zal het zijn opgevallen dat in de commentaren bijna nooit werd vermeld dat Nederland daar ook met troepen aanwezig is. De reden is dat we daar ten opzichte van andere landen, zeer laat met gevechtstroepen zijn aangekomen.

Toen daarentegen kortgeleden bij de formering van een mobiele internationale strijdmacht aldaar, Nederland zich onmiddellijk bij de initiatiefnemers, Engeland en Frankrijk, aansloot werd dit anders. Hoewel we slechts zo'n 150 man van de totale sterkte van 12.500 leveren, was Nederland wekenlang in het internationale nieuws. Dat geeft veel internationaal krediet. Ook in Bosnië zelf, als daar Nederlandse troepen in gevaar komen, zoals nu.

Evenmin als het 'nationaal belang', geven ook andere criteria die door D66 en de VVD worden genoemd een houvast bij beslissingen voor inzet van de krijgsmacht. Inmiddels heeft ook de regering hierover een brief aan de Kamer gestuurd. Het lost niets op, de ene theorie wordt door de andere vervangen. Het leidt ook de aandacht af van het werkelijke probleem, het zorgen voor een sterke gezonde en gemotiveerde krijgsmacht, geschikt voor een veelheid van taken in het primair Europese theater. Welke opdrachten die krijgsmacht in de toekomst moet uitvoeren, is slechts binnen een brede marge aan te geven.

Wat moet dit nu betekenen voor ons defensiebeleid? Voor wat betreft de korte termijn moet men in Nederland ophouden de troepen-bijdrage in het voormalige Joegoslavië ter discussie te stellen. De VVD is onverstandig bezig; het stelt Nederland buiten de Westerse landen die daar wel hun nek uitsteken. Ze kunnen niet anders, maar kijken wantrouwend naar Nederland als potentiële dwarsligger.

Ten tweede: omdat het ontwikkelen van inzetcriteria voor situaties die niet in te schatten zijn geen praktische waarde heeft, moeten op een andere wijze garanties worden ingebouwd. De beslissingsprocedure voor een eventuele inzet zou hierbij de aandacht moeten krijgen. Zo'n beslissing heeft altijd een politieke en een militaire kant. De Tweede Kamer moet beide facetten goed kunnen wegen. De militaire adviezen moeten niet alleen via de regering, en politiek gefilterd, bij de Tweede Kamer komen, maar de Kamer moet ook altijd rechtstreeks de daarvoor gekwalificeerde en verantwoordelijke bevelhebber van het krijgsmachtdeel horen. Dat geeft een garantie, ook voor het personeel, dat bij de door de Kamer te nemen beslissing alles wordt afgewogen.

Ten slotte moet de defensieplanning worden herzien. Vooral de grondcomponent blijkt te zwak, voorts moet de flexibiliteit groter worden om op het onbekende te kunnen reageren. Naast parate eenheden moet meer aandacht worden geschonken aan kern-parate eenheden, die in een bepaalde voorbereidingstijd operationeel gemaakt kunnen worden om bij lopende operaties een versterkings- en aflossingscapaciteit te hebben. Tevens kan zo het schemergebied tussen vrede en volledige mobilisatie worden opgevangen.

Dit alles vereist inventiviteit en inspanning, zowel van de krijgsmacht als van de regering en de politiek. De vroegere Duitse bondskanselier Willy Brandt zei het al: “Veiligheid is niet alles, maar alles is niets zonder veiligheid.”