Nationaal belang is als criterium maar beperkt bruikbaar; Mondiale rechtsorde is ook een maatstaf

Het spook van het nationale belang waart rond in de discussie over het buitenlandse en veiligheidsbeleid van Nederland. In de VVD, maar daar niet alleen. Het lijkt erop dat een nieuw en helder leidend beginsel is ontdekt voor de Nederlandse politiek buiten de grenzen.

Eerst over het 'nieuwe'. Dat staten, en dus ook Nederland, zich al eeuwen laten leiden door hun nationale belang is niets nieuws: zorg gaat uit naar de veiligheid en belangen van Nederlandse burgers in het buitenland, de integriteit en veiligheid van het eigen grondgebied of dat van het bondgenootschap.

Daarnaast heeft Nederland als open, kwetsbaar, aan zee gelegen en internationaal geörienteerd land vanaf Grotius oog gehad voor het belang van internationale regelgeving die allen, Nederland niet in de laatste plaats, ten goede komt. Perioden van relatief hevige morele pretenties (“Nederland als lichtbaken in een duistere wereld”, aldus een voorganger van Hans van Mierlo in het interbellum) worden afgewisseld door die van Realpolitik en een gedempter toon. Toch heeft de combinatie van zorg voor het eigen belang en de eigen veiligheid van burgers en land met die voor handhaving en versterking van de internationale rechtsorde Nederland altijd gekenmerkt. Zij heeft zelfs de Grondwet gehaald, en dat is lang niet overal zo. Geen land met zo'n relatief zware traditie in en ruime beoefening van het volkenrecht. Er hoeft overigens ook geen wezenlijke tegenspraak te bestaan tussen dat eigenbelang en de internationale rechtsorde: activiteiten, bij voorbeeld, ten gunste van een schoner milieu en ontwikkeling op wereldwijde schaal strekken ook ten economische bate van Nederland.

Ik herinner mij, ongeveer vijftien jaar geleden, zware discussies in de interdepartementale commissie voor beleidsanalyse (COBA), interessant genoeg gecoördineerd op Financiën, over de vraag of nu het nationale belang en de bevordering van de internationale rechtsorde neven- dan wel ondergeschikt waren als doelstellingen voor het buitenlands beleid. Na veel wikken en wegen is toen geopteerd voor een nevenschikking. Het relatief nieuwe en positieve punt in de huidige discussie is dat, minder besmuikt dan vroeger, politici ervoor durven uitkomen dat in de praktijk het nationale belang wordt nagestreefd.

Mijn tweede punt is echter, of het niet het bieden van schijnhelderheid is om alle kaarten op het nationale belang te zetten? Ook VVD parlementariërs als collega Van den Doel (NRC Handelsblad, 20 juni) komen niet tot andere keuzes waar het gaat om bijvoorbeeld Nederlandse deelname aan vredesoperaties, enig verbaal wapengekletter over met name Joegoslavië (“nog één keer uitbreiding, maar dan nooit meer”, “nee, tenzij”) ten spijt.

Mij treft de neiging bij die collega's om, geconfronteerd met de vraag wat dan bij voorbeeld het Nederlandse belang in Cambodja, Angola, Mozambique of Rwanda is geweest, te antwoorden met de opmerking dat herstel of bevordering van de internationale rechtsorde ook onder het nationale belang valt. Alles goed en wel, maar dan zijn wij bezig het probleem op te lossen door het weg te definiëren.

De probleemstelling lijkt mij veeleer de volgende: is er naast de behartiging van het eigen (veiligheids)belang aanleiding en ruimte om bij de afweging van een Nederlandse deelname aan een vredesoperatie ook de bijdrage aan herstel of bevordering van de internationale rechtsorde te betrekken? Mijn antwoord op die vraag is ja.

Men kan dat 'idealistisch', 'internationalistisch' of 'interventionalistisch' noemen, begrippen die in de huidige discussie tegenwind ondervinden. Uiteraard moet in de potentieel ruime agenda voor participatie in vredesoperaties enige orde worden gebracht. Nederland kan niet blindelings achter al het internationale leed aanlopen. Mijn criteria voor een ordening in die agenda liggen dan in de orde van de zinvolheid van een specifiek Nederlandse militaire bijdrage (welke eenheden worden gevraagd en zijn bij ons beschikbaar?; heeft Nederland ervaring met of betrokkenheid bij een land of een conflict?; praktische aspecten als taal en organisatie van de vredesmacht, concurrerende operaties en claims), maar ook in de orde van politieke prioriteiten en het draagvlak.

Afrika en bij voorbeeld de problematiek in Burundi en Rwanda leven in Nederland - gelukkig - méér dan in menig andere Europees land. Ons nationaal belang is daar minder in het geding dan in het nabije Joegoslavië, waar Europese veiligheids- en berschavingsordening, maar ook vluchtelingenstromen en kosten voor wederopbouw aan de orde zijn. Ook in Bosnië ontkomen wij echter niet aan de beschouwing van de directe belangen van veiligheid van de Nederlandse militairen en de vitale belangen van de bescherming van de Bosnische burgerbevolking in Srebenica en elders.

Ik voel mij in deze discussie meer thuis bij VVD-minister Voorhoeve, die onder meer in zijn recente New Yorkse rede (NRC Handelsblad, 19 juni) eerder de nadruk legt op verbetering van de methodes waarmee de VN en de lidstaten vredesoperaties aanvatten, dan op een eng nationaal belang als basis voor deelname. Op het eerste punt, de methoden, zeg ik in reactie op Van den Doel (NRC Handelsblad, 20 juni) dat ik hem help hopen dat, vóór een operatie start, duidelijkheid bestaat dat de inzet van militaire middelen de politieke oplossing naderbij brengt. Deze uitspraak lijkt mij met de Joegoslavische ervaring enigszins naïef, maar hadden wij om die reden Joegoslavië aan haar lot over moeten laten? Laten wij toch oppassen voor stellingen die de keuze laten tussen het onhaalbare en het onwenselijke, zoals die van Bolkestein: óf een massale interventie of snel (eenzijdig?) terugtrekken uit Joegoslavië.

Gebruik van het criterium van het nationale belang bij beslissingen over deelname aan vredesoperaties leidt dus tot schijnhelderheid òf een te beperkte nationale benadering. Of alles valt eronder (wij zijn in Haïti omdat Nederland daarmee de VS een plezier doet en dat is weer een nationaal belang) òf wij beperken ons tot collectieve defensie-oude-stijl en een enkele vredesoperatie in de directe nabijheid, zoals in het voormalige Joegoslavië. Het nationale belang waarmee de VVD zo graag schermt, heeft het karakter van een toverbal. Hij wordt lekkerder naarmate je er langer op zuigt, maar de kleur wordt steeds bleker.