In 'veilig gebied' heerst al drie jaar angst, terreur en honger

Eeuwenlang, al vóór de Turkse verovering van Bosnië in de vijftiende eeuw, was Srebrenica een belangrijk economisch centrum in Bosnië. Het zilver dat hier werd gewonnen gaf de stad haar naam: srebro betekent zilver.

In de achttiende en negentiende eeuw raakten de zilveraders uitgeput en verkommerde de stad. Aan het begin van de Bosnische oorlog in 1992 was het een slaperig stadje in een vallei, omringd door bergen en heuvels. Volgens de volkstelling van 1981 woonden er 36.292 mensen, onder wie 24.930 moslims en 10.294 Bosnische Serviërs.

De Bosnische Serviërs vielen de stad aan in de eerste dagen van de oorlog en houden haar sindsdien omsingeld. De stad heeft - anders dan die andere enclave in Oost-Bosnië, Gorazde - geen strategische waarde: er lopen geen belangrijke wegen langs of door. Srebrenica is alleen belangrijk als concentratie van moslims. Inmiddels zijn dat er 42.000 - de oorspronkelijke inwoners minus de weggetrokken Serviërs, aangevuld met bijna 20.000 moslim-vluchtelingen uit dorpen in de omgeving.

De huidige enclave, honderd kilometer ten noordoosten van Sarajevo, heeft een oppervlakte van 148 vierkante kilometer. De meeste vluchtelingen uit de omgeving zijn ondergebracht bij inwoners, in openbare gebouwen in de stad en in een dorp van houten noodwoningen, dat plaats biedt aan drieduizend mensen en dat met Zweedse hulp is gebouwd.

In maart 1993 lanceerden de Bosnische Serviërs een omvangrijk offensief tegen de omsingelde stad. Srebrenica werd dagenlang door de Servische artillerie beschoten. De toenmalige opperbevelhebber van de VN-vredesmacht in Bosnië, de Franse generaal Philippe Morillon, trok de stad binnen in een poging de Serviërs tot een stopzetting van de dagelijkse bombardementen te brengen. Hij deelde enkele dagen lang het leed van de inwoners, tot de Serviërs instemden met een evacuatie van duizenden inwoners. Die liep overigens op een drama uit: een aantal mensen werd onder de voet gelopen in de stormloop op de vrachtwagens en ook op weg naar de buitenwereld stierven diverse inwoners. Het drama bracht de Veiligheidsraad er op 16 april 1993 toe, Srebrenica als eerste moslim-enclave uit te roepen tot 'veilig gebied', “vrij van welke gewapende aanval of andere vijandelijke daad”. De enclave werd bovendien gedemilitariseerd: zowel de moslim-verdedigers als de Bosnische Serviërs moesten hun wapens inleveren, wat voor de eersten gezien de voortgaande omsingeling funest en voor de laatsten gezien het gemak waarmee ze zich later weer hebben kunnen herbewapenen een sinecure was. Dankzij smokkel tussen de linies door hebben de moslims zich overigens ook weer van (lichte) wapens kunnen voorzien. In mei 1993 verklaarde de Veiligheidsraad nog vijf moslim-enclaves tot 'veilig gebied': Sarajevo, Bihac, Tuzla, Zepa en Gorazde.

De VN-garantie voor de 'veiligheid' van Srebrenica is grotendeels dode letter gebleven. Hoewel de Bosnische Serviërs in het demilitariseringsakkoord hebben beloofd dat burgers de stad mogen verlaten en dat de stad niet wordt aangevallen (“Srebrenica is geen militair doel”, zei de Bosnisch-Servische legerleider Mladic indertijd) is de enclave van de buitenwereld afgesloten gebleven, overgeleverd aan de grillen van de Servische belegeraars. De inwoners zijn volledig aangewezen op voedselhulp van buiten, die door de Serviërs soms wel, maar meestal niet werd doorgelaten. Dat lot treft overigens ook de VN-blauwhelmen - op het ogenblik vierhonderd Nederlanders, die binnenkort zouden moeten worden vervangen door Oekraïeners - die nu al weken niet meer zijn bevoorraad.

Van tijd tot tijds trachten groepen wanhopige inwoners de enclave te ontvluchten. Op 27 juni liep zo'n groep in een hinderlaag van de Bosnische Serviërs. Een onbekend aantal van hen werd daarbij doodgeschoten, de anderen vluchtten de heuvels in.

Srebrenica wordt verdedigd door een eenheid van het Bosnische regeringsleger onder bevel van Nasir Oric, voormalig lid van de lijfwacht van de Servische president Milosevic, die regelmatig patrouilles de heuvels instuurt voor guerrilla-aanvallen op Servische stellingen. De Bosnische Serviërs maakten eind juni melding van een rivaliserende “gematigde” militaire eenheid onder bevel van ene Osman Suljic en van gevechten tussen beide militaire groepen. Die meldingen zijn echter niet bevestigd.

De voedselsituatie in Srebrenica is al jaren nijpend: in feite leven de tienduizenden moslims in de stad op de rand van de hongersnood. Slechts af en toe komen konvooien aan met meel, suiker, olie, bonen en conserven. Meestal sturen de Serviërs de voedselhulp echter terug. Al in de zomer van 1992 werden voedselkonvooien tegengehouden - doorgaans door de Servische belegeraars, maar soms ook door de vrouwen en kinderen van het nabijgelegen Bratunac, die de hulpverlening aan de vijand frustreerden door op de weg te gaan zitten. Volgens Murat Efendic, die de enclave in Sarajevo vertegenwoordigt, kregen de inwoners in 1993 nog gemiddeld per dag 530 gram voedsel per persoon. Dit jaar is dat gemiddelde gedaald tot 150 à 170 gram. Op 3 juli meldde de correspondent van radio-Sarajevo in Srebrenica dat de week daarvoor dertien mensen van honger waren omgekomen.