IEL MANNETJE MET PERFECT LICHAAM

Pieter van den Hoogenband ging zich pas voor zwemmen interesseren toen bleek dat hij in die sport wel heel gemakkelijk medailles kon winnen. Inmiddels hangt zijn kamer vol met gouden plakken. Bij de afgelopen weekeinde in Eindhoven gehouden nationale titelstrijd was hij op twee afstanden de beste. De Olympische Spelen van volgend jaar in Atlanta zijn de grote droom van het talent met het perfecte lichaam.

De vriendelijke, soms wat dromerige blik in zijn ogen verraadt een onbekommerde kindertijd waarin veel kon en weinig hoefde. Een tijd die als hij terugkijkt enkel leek te bestaan uit eindeloze spel- en sportdagen, zwemwedstrijdjes in zon-overgoten buitenbaden en lik-ijsje voor onderweg naar huis. Inmiddels is hij zeventien jaar. Al lang geen kind meer, maar nog wel een jongen: T-shirt, spijkerbroek, sportschoenen, lange haren. Veel te lange haren, vindt zijn moeder. Maar als ze dat tegen hem zegt, trekt hij lachend z'n schouders op. Hoort bij de leeftijd, weet zij.

Zijn lichaam is lang, 1.90 meter, iel en nog niet volgroeid. In zijn dagelijkse kloffie lijkt dat lijf hem vooral in de weg te zitten. Hij sloft een beetje. Maar eenmaal aan de rand van het zwembad, in zwembroek, verraadt datzelfde lichaam waarom Pieter van den Hoogenband een van de grootste zwemtalenten is in de geschiedenis van het Nederlandse mannenzwemmen.

Vorig jaar deed hij in Duitsland met de andere toppers uit de nationale ploeg een aantal fysieke en zwemtechnische tests, volgens methodes die ook werden gebruikt bij de selectie en begeleiding van zwemmers in de voormalige DDR. Wunderbar, sehr gut, kreeg hij steeds te horen. Voor de algehele bouw van zijn lichaam kreeg hij zelfs een tien, hetzelfde cijfer dat ook de Duitse wereldtopper Franziska van Almsick ooit kreeg.

Van den Hoogenband geldt al jaren als een groot talent. Hij heeft een enorme souplesse en een geweldige techniek. En dat hij ondanks zijn lengte maar 72 kilo weegt, is een voordeel. Hij ligt hoger op het water dan de meeste andere, veelal zwaardere zwemmers. Daardoor is de weerstand van het water voor hem minder. Vorig jaar won hij bij de Europese kampioemschappen voor de jeugd drie gouden medailles, op de 100, 200 en 400 meter vrije slag. Zijn tegenstanders in het Tsjechische Pardubice waren veelal jongens die al minimaal een jaar ouder waren dan hij. Het geeft zijn prestaties alleen maar nog meer glans.

Op de nationale titelstrijd bij de senioren van vorig jaar was de junior ook al drie keer de beste. Afgelopen weekeinde, bij het NK van dit jaar in Eindhoven, moest hij genoegen nemen met twee titels, op de 100 en 200 meter vrije slag. Op de 50 en 400 vrij won hij verder nog brons en zilver. Die laatste plak had eigenlijk een gouden moeten zijn, wist hij zelf meteen na afloop van de race te melden.

Hij had de strijd met de uiteindelijke winnaar, Mark van der Zijden, te licht opgevat, klonk het. Misschien kwam dat wel omdat hij het hele NK niet al te serieus had genomen. Waarom zou hij ook, hij was immers al zeker van deelname aan de Europese kampioenschappen later deze zomer in Wenen. En daar en nergens anders wil hij dit jaar pieken.

Van den Hoogenband groeide op in een gezin waar sport altijd een belangrijke plaats heeft ingenomen. Hij is de zoon van oud-topzwemster Astrid Verver en Cees Rein van den Hoogenband, van beroep chirurg en daarnaast zowel club-arts van de voetballers van PSV als medisch begeleider van de Nederlandse waterpolo-ploeg. Van den Hoogenband junior was als kind helemaal gek van sport. Zwemmen leerde hij spelenderwijs van zijn moeder. Zij had al snel door, dat de dreumes Pieter de slagen die zij voordeed heel goed kon nadoen. “Of iemand talent heeft, kun je op zo jonge leeftijd moeilijk zeggen. Maar hij had zonder meer aanleg, dat zag je al wel heel duidelijk.”

Pieter liep aanvankelijk echter niet zo warm voor de zwemsport, hij ging liever hockeyen, judoën en tennissen. Voetballen heeft hij ook nog tijdje gedaan. Maar daar kon hij “werkelijk niets van”. “Daarom werd ik ook nooit aangespeeld. Misschien twee keer in een wedstrijd. Met m'n gedachten was ik er ook nooit bij. Na afloop kregen we namelijk altijd twee consumptiebonnen. Stond ik alleen maar te bedenken wat voor lekkers ik daar nou toch eens voor zou gaan kopen.”

Zoals vrijwel ieder kind was de kleine Van den Hoogenband “helemaal gek” van prijzen winnen. Zijn hockeyclub organiseerde zo nu en dan sport- en spelletjesdagen voor de jongste leeftijdsgroep, de mini-mini's. Van den Hoogenband won altijd, de bekers kregen een ere-plaatsje op zijn kamer. Op een dag nam hij, zo maar voor de lol, deel aan wedstrijden van een zwemvereniging. Als niet-lid werd hij eerste. Dat was leuk, de medaille die hij kreeg omgehangen nog veel en veel leuker. En zwemmen, ach, dat was opeens eigenlijk zo'n gekke sport nog niet. Moest-ie toch eens wat vaker gaan doen.

Dat deed hij. Een blik in zijn slaapkamer vertelt hoe: aan één wand hangen alleen maar medailles, vrijwel allemaal van goud. Zijn het er honderd, tweehonderd of nog meer? Hij weet het zelf niet eens. Op een plank staan - tussen de scheercrème en after-shave - ook nog een paar bekers. “En kijk”, zegt hij met een glimlach rond de lippen, “dit zijn de prijzen die ik op de spelletjes-dagen voor de mini-mini's heb gewonnen.”

Zijn grote doel zijn de Olympische Spelen van volgend jaar. Als ploegarts van de waterpoloërs maakte zijn vader de Spelen van drie jaar geleden in Barcelona mee. Van de verhalen waarmee Van den Hoogenband senior uit Spanje terugkwam, kon junior geen genoeg krijgen. Hij wil daarom vooral naar Atlanta om zelf te ervaren wat het is om aan het grootste sportevenement ter wereld deel te nemen. Voor een medailleplaats is het immers nog te vroeg, weet hij. Daarvoor is hij nog te jong, is zijn lichaam nog niet sterk genoeg. In 2000, als de Spelen in Sydney worden gehouden, maakt hij - als hij zich zo blijft ontwikkelen als de afgelopen jaren het geval is geweest - meer kans op ere-metaal. Dan is hij 22, een leeftijd waarop veel zwemmers hun top halen.

Maar verder dan Atlanta wil hij vooralsnog niet kijken. Want misschien is hij de zwemwereld over een tijdje wel ontzettend zat, heeft hij misschien “gewoon” geen zin meer om iedere dag om vijf uur op te staan en wekelijks meer dan dertien uur in het water te liggen. Of misschien geeft hij er “gewoon” de voorkeur aan om aan zijn maatschappelijke carrière te gaan werken. “Wie zal het zeggen?”

Zijn ouders zijn gepast trots op het relativeringsvermogen van hun zoon. Ze hebben hem ook nooit gepusht. Het tegendeel is eerder waar: zijn vader, een oud-waterpoloër, vond het zelfs maar niks, dat zwemmen. “Ga toch lekker een teamsport doen, jongen. Dat is toch veel gezelliger”, kreeg Pieter altijd te horen. Zijn moeder zorgde er altijd voor dat hij zich nooit overtraind heeft. “Ik heb talentjes gezien van Pieter z'n leeftijd die, vaak aangespoord door te fanatieke ouders, al op heel jonge leeftijd alleen maar met hun sport bezig waren. In het water en op de kant, voor de gewichtstraining. De meesten zwemmen nu niet meer, zijn er volledig op afgeknapt”, zegt de oud-zwemster, die zichzelf tot haar grote teleurstelling net niet wist te kwalificeren voor de Spelen van München in 1972. “Daar herinner ik Pieter ook altijd aan als-ie met z'n vader over Barcelona praat. Er kan tenslotte altijd iets gebeuren waardoor het olympische feest niet doorgaat. Daarom moet hij zich niet blind staren op Atlanta.”

Desalniettemin is al veel in het leven van het jonge talent afgestemd op de Spelen van volgend jaar. Zo mag hij, mede dankzij bemiddeling van NOC*NSF, zijn VWO-examenjaar uitspreiden over twee jaar, omdat anders te weinig tijd voor voor een gedegen voorbereiding op de Spelen overblijft. En onder leiding van Jacco Verhaeren - zijn trainer bij PSV, de ambitieuze club uit Eindhoven - is hij sinds kort ook serieus met gewichten gaan trainen. Want om de sprong van de nationale naar de absolute wereldtop te maken, moet “dat iele mannetje” volgens Verhaeren nog wel wat sterker worden. Moet hij van een jongen man worden.