'Het is in Luik een puinhoop sinds de kathedraal weg is'

SERAING, 10 JULI. Zaterdagmiddag, tegen half zeven. Jean Simon zit in een hoekje van café Bus Taverne, weggedoken achter de krant La Meuse. Enige uren tevoren heeft de vijftiger de lawaaierige Tourkaravaan door het hete centrum van finishplaats Luik zien jakkeren. Simon nipt aan zijn pint. Hij trekt een bezorgd gezicht. “Ik heb me best vermaakt, monsieur”, bekent hij, “maar mijn bedenkingen zijn gebleven. Kan een straatarme stad als deze het zich wel veroorloven zo veel franken neer te tellen om de Ronde van Frankrijk in huis te halen?”

Hij wijst naar buiten. Vanuit de kroeg kijk je uit op de Place St. Lambert. Het plein ziet eruit als een bouwput. “Dat is al honderd jaar zo. Sinds de kathedraal is afgebroken, is het hier een puinhoop. Het gemeentebestuur zou zijn geld beter kunnen besteden aan de herinrichting van het hart van Luik dan aan een wielerronde”, zucht Simon. Hij krijgt bijval van Jacques Godart, een werkeloze uit de buurt van Seraing. “De stad, de provincie Luik en de Waalse regering, alle hebben geld in de Tour gepompt. En wat doen ze voor mij? Sinds onze staalfabriek dicht is, moet ik stempelen. Ik krijg nog geen twintigduizend franken (duizend gulden) per maand. Kom daar maar eens van rond. En dat in een gemeente met heel hoge opcenten.”

Niet iedereen is enthousiast over het Waalse Tour-avontuur, maar in de Bus Taverne klinken ook positieve geluiden. Luc Vandekerckhove, een mijnwerkerszoon, zegt zaterdagmiddag “een geweldig sportfeest” te hebben beleefd. Op het terras zit hij achter een donker glas bier, samen met vrouw en kinderen die hij op ranja heeft getracteerd. “Vooral mijn twee kleinen hebben genoten. Ze kregen bonbons van de reclamekaravaan en ze hebben twee weggegooide drinkkruikjes bemachtigd. Allemaal voor niks. Het mooie was dat het er hier zo vriendelijk toeging, terwijl er veel mensen waren. Ik ben met mijn jongens wel eens naar Sclessin geweest, naar Standard Luik. Dat durf ik niet meer, wegens de agressie onder die voetbalfans. En een bezoek aan het stadion kost ook een hoop geld.”

Vandekerckhove stapt op, want de bus meldt zich op de Place St. Lambert, dat in de volksmond het afbraakplein heet. Het is het symbool van de onbekwaamheid der plaatselijke bestuurders. Luik is de meest historische stad van Wallonië, die ooit enorm floreerde. Maar in de jaren vijftig begon de crisis in de steenkool- en staalindustrie. De bodem van het bestaan werd weggeslagen, met name in de lelijke voorsteden. De Parti Socialiste (PS) was de voornaamste partij, maar die opereerde niet slagvaardig, zodat de verarming doorzette. Luik was aan het begin van de tachtiger jaren zelfs failliet. De schandalen stapelden zich op in Palermo aan de Maas. Vier jaar geleden werd burgemeester André Cools vermoord, vermoedelijk in verband met de Agusta-zaak. De huidige eerste burger, de socialist Jean Maurice de Rousse, is bezig het geschokte vertrouwen in de PS te herstellen. Met de hulp van de Waalse overheid pakte hij de gigantische schuldenlast van Luik aan, onder andere door het bijna halveren van het aantal ambtenaren.

Op het terras van café Bus Taverne kan wielersupporter Vandekerckhove daarover meepraten. Diverse kennissen en familieleden van de arbeider raakten het afgelopen decennium hun job kwijt. Zette je tien jaar geleden in Luik tien mensen bij elkaar, zo gaat het verhaal, dan werkten drie van hen bij de gemeente en waren er drie werkeloos. Burgemeester De Rousse voorspelt betere tijden, maar die zijn er nog lang niet. Hij huldigt het idee dat steden die het slecht gaat behoefte hebben aan iets om fier op te zijn. Het liefst in de sportsfeer. Zijn collega van het noodlijdende Charleroi, Jean-Claude van Cauwenberghen, denkt daar exact hetzelfde over. Charleroi is zelfs een ware sportstad geworden: de gemeente beschikt over een van België's betere voetbalploegen, er is een aansprekend basketbalteam uit de grond gestampt en de tafeltennis-vedette Saive komt voor Charleroi uit. Het Waalse Tourweekeinde (Duinkerken-Charleroi, Charleroi-Luik en gisteren Hoei-Seraing) - De Rousse en Van Cauwenberghen riepen het luid en duidelijk - moet bijdragen het minderwaardigheidscomplex in het grauwe deel van Wallonië te laten verdwijnen.

Nieuwe erkenning voor de grote, donkere steden Luik en Charleroi en hun achterland, voor dat ideaal hadden de Waalse overheden heel wat geld over.

Het toeristenbureau van de provincie Luik, waartoe Luik, Seraing en Hoei behoren, gaf vorige maand exacte cijfers over de Tour-uitgaven. De regio was de Tourdirectie volgens haar begroting in totaal 13,5 miljoen franken (bijna 700.000 gulden) verschuldigd voor de finish in Luik, de start in Hoei en de aankomst in Seraing. De drie steden droegen daar respectievelijk tweeëneenhalf, drie en vier miljoen franken aan bij. Bij die bedragen kwamen nog de “hoge kosten” van voorbereiding en werkuren (ambtenaren, politie) van de provincie en de drie gemeenten. Maar daar stond “iets heel moois” tegenover, berekende het toeristenbureau in Luik. Vierduizend Tourrenners en volgers zouden in de provincie overnachten en eten, hetgeen volgens haar goed is voor meer dan een miljoen gulden aan inkomsten.

Voeg daarbij het tanken, het telefoneren, sprak de VVV optimistisch.: “Men kan zeggen dat de uitgaven van de Société du Tour de France voor haar eigen interne behoeften in de provincie Luik de som van dertig miljoen franken (ruim anderhalf miljoen gulden) ver zal overschrijden”, schrijft de organisatie van de provincie Luik. “Indien men met een gemiddeld belastingpercentage van 35 rekening houdt, betekent het dat de inkomsten in de Staatskas meer dan tien miljoen franken zullen bedragen”.

In café Bus Taverne zegt Jean Simon “te duizelen van deze enorme goocheltrucs met geld”. “Ik blijf erbij dat in elk geval de stad Luik te arm is om de Tour binnen haar poorten te halen.” Weer wijst hij naar buiten, naar de treurige Place St. Lambert. “Het is om te huilen, monsieur, vindt u niet?”. Hij zucht en bestelt nog een pint.