Mon dieu

ANTON VAN DER LEM: De Opstand in de Nederlanden (1555-1609)

160 blz., geïll., Kosmos-Z&K 1995, ƒ 24,90

Hoe lang duurde de Tachtigjarige Oorlog eigenlijk? De vraag lijkt onzinniger dan zij is. Over het einde, de vrede die op 30 januari 1648 in het Westfaalse Munster werd getekend, kan weinig misverstand bestaan. Maar de geleerden vinden het moeilijker overeenstemming te bereiken over de aanvang van het conflict. Vroeger leerden we op school dat de oorlog op 23 mei 1568 met de slag bij Heiligerlee begon: een heuse veldslag op wat later Noord-Nederlands grondgebied zou worden, onder leiding van een lid van het Oranjehuis nog wel, die bovendien op een klinkende overwinning voor het vaderland uitliep. Gemakshalve vergeten we dan maar dat al ruim een jaar eerder, op 13 maart 1567, een Geuzenlegertje onder de muren van Antwerpen zich smadelijk in de pan had laten hakken.

De Belgen houden het liever op de onthoofding van de graven van Egmond en Horn op de Grote Markt in Brussel op 5 juni 1568. Beide heren stierven als goede katholieken. Daardoor springt de hinderlijke godsdienstige dimensie van het conflict minder in het oog. Maar anderen laten de Opstand tegen Philips II juist beginnen met de Beeldenstorm (augustus 1566), zodat de oorlog 82 jaar duurde, of zelfs nog eerder, met het verzet van de adel tegen de kerkelijke politiek van de regering.

Verschil van mening over de duur van de oorlog is natuurlijk niet meer dan een symptoom van een dieper liggend meningsverschil over de aard van het conflict. Historici spreken tegenwoordig liever over een opstand dan over een oorlog. Daarmee beklemtonen ze dat het verzet zich richtte tegen het volstrekt legitieme gezag van de landsheer Philips II. Het was echter geen 'volksopstand', zoals sommige negentiende-eeuwse historici meenden, maar een burgeroorlog: veel loyale Nederlanders kozen voor hun wettige regering (en niet voor de Spanjaarden!); voor orde en gezag, tegen oproerkraaiers en rebellen. Pas na het vertrek van Leicester uit de Nederlanden (1587), toen de opstandelingen noodgedwongen besloten het verder maar alleen op te knappen, kan men (met heel veel goede wil) spreken van een 'oorlog' tussen twee soevereine staten.

De laatste jaren heeft het onderzoek naar de aard en oorzaken van de Opstand grote vorderingen gemaakt. We begrijpen nu dat het karakter van de strijd niet alleen werd bepaald door de tegenstellingen tussen calvinisten en katholieken, maar dat een brede middengroep, die naar verzoening streefde, een sleutelpositie innam. We weten nu ook dat het geen strijd was tussen Noord en Zuid, maar dat de geografie van de Opstand samenviel met het onderscheid tussen het hoog ontwikkelde en verstedelijkte Westen (Vlaanderen, Brabant en Holland) en het traditionele, behoudzuchtige Oosten en Zuiden. En bovendien hebben we geleerd de Opstand te zien als een internationaal conflict. Voor de uiteindelijke uitkomst waren de in het Middellandse-Zeebekken oprukkende Osmaanse Turken misschien nog wel belangrijker dan de leeuwenmoed van de burgers op de transen van Haarlem, Alkmaar en Leiden.

Lange tijd bestond er geen handzaam, beknopt overzichtswerkje waarin die vorderingen in het historisch onderzoek waren verwerkt. Zo'n boekje is er nu wel. In het krappe bestek van 160 bladzijden (waarvan er nog eens enkele tientallen voor illustraties zijn bestemd) is Anton van der Lem er in geslaagd een helder overzicht van de Opstand te schrijven, dat begint met de aanvaarding van de regering door Philips II in 1555 en doorloopt tot de sluiting van het Twaalfjarig Bestand in 1609. Dat kan natuurlijk alleen door veel weg te laten. Dat doet Van der Lem dan ook, maar juist in die beperking toont hij zijn greep op de stof. De hoofdlijnen tekenen zich duidelijk af, terwijl het betoog nooit ongenuanceerd wordt.

Bijzondere waardering verdienen de illustraties. Eerdere boeken over de Opstand werden verluchtigd met steeds weer dezelfde afbeeldingen: de prenten van Frans Hogenberg van de aanbieding van het smeekschrift der edelen en de Beeldenstorm, de allegorische prenten, de portretten van Willem van Oranje door Mor en Key. Van der Lem is er in geslaagd een groot aantal illustraties op te diepen die nooit of zelden gebruikt zijn, waardoor zijn boek een frisse indruk maakt.

Natuurlijk kan er ook kritiek worden geleverd. Zo begrijp ik niet waarom de schrijver, terwijl hij over zó weinig bladzijden voor zijn verhaal kon beschikken, maar liefst tweeëneenhalve bladzijde besteedt aan de vraag of Oranje nu wel of niet die beroemde laatste woorden (Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi...) heeft gesproken (antwoord: waarschijnlijk wel). Dat neemt niet weg, dat de vakman en de geïnteresseerde leek nu beschikken over een voortreffelijk overzicht, dat nog jaren mee kan.

    • Henk van Nierop