'Ma vult zakken vol met zand'

ERNEST HUETING: Vrijwillig. Een halve eeuw UVV

192 blz., geïll., Walburg Pers 1995, ƒ 39,50

Zorgen dat een eenzame zieke bezoek krijgt, dat een gehandicapte zelfstandig kan blijven wonen of dat een bejaarde nog eens buiten komt; boeken omzetten in braille of inspreken op een bandje; 'rijdende winkeltjes' en bibliotheekwagens in ziekenhuizen bevrouwen; Tafeltje-dekje maaltijden rondrijden - ziedaar een greep uit de bekendste activiteiten van de UVV, die het nu al decennia lang tot haar taak rekent de 'witte plekken' in de reguliere hulpverlening aan te pakken. Met Raad en Daad, zoals - typerend - het maandblad van de organisatie heette tot het vorig jaar moest worden opgeheven. Hoe onmisbaar vrijwilligers nog steeds zijn, blijkt wel uit het feit dat de marktwaarde van het werk dat de 20.000 UVV'ers in zo'n 130 afdelingen jaarlijks verzetten, in 1992 werd geschat op tussen de 60 en 100 miljoen gulden. Toch is historisch gezien dat plaatje van de sociaal-voelende huisvrouw die een paar uur per week in haar buurt wat hoogstnoodzakelijke medemenselijkheid betracht, niet het hele verhaal. De UVV, tot 1977 afkorting van Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers, stond een heel wat grootser 'helpen' voor ogen toen ze in 1943 ondergronds en in 1945 openlijk begon. 'Vrouwen helpt het land met hoofd, hart en hand', luidde het op een naoorlogs affiche. Vrouwen die het vaderland dienen, daar ging het om.

Bovengenoemde begindata zijn overigens betwistbaar. Zoals ook uit het zojuist verschenen gedenkboek Vrijwillig wel duidelijk wordt, stammen de UVV en haar filosofie van vrouwelijke dienstbaarheid van vòòr de oorlog, van 9 maart 1939 om precies te zijn, de oprichtingsdatum van het Amsterdamse Korps Vrouwelijke Vrijwilligers.

Het opzetten van dat Korps was een daad. Dat het niet de bedoeling was dat vrouwen zich bezig hielden met activiteiten buiten hun eigen beperkte kringetje, blijkt uit het even panische als kwaadaardige beeld dat liedjesdichter Clinge Doorenbos ervan opriep. Nadat vader in het vuil en baby van de honger is omgekomen, eindigt het met:

Ma vult zakken vol met zand.

Duizenden van werkeloozen

Loeren daag'lijks in de krant

Naar een bezigheid, een baantje....

Het gaat boven ons verstand.

Lezers van de Telegraaf kregen zijn ellenlange klaagrijm voorgeschoteld toen de Korpsvrouwen na de mobilisatie van zomer '39 werden ingezet om zakken zand te vullen als afweer tegen de gevreesde luchtaanvallen. Dit nu was het soort activiteiten dat de oprichtsters, geïnspireerd door de Women's Voluntary Services, voor ogen had gestaan en waarvoor de Korpsleden, in hun felblauw uniform (als ze dat prijzige pakje althans konden betalen) met daarop de felbegeerde insigne met Nederlandse Leeuw, onder leiding van hun 'groepscommandantes' maandenlang hadden geoefend. Omgaan met gasmaskers, fiets-oriëntatie bij verduistering, assistentie van de brandweer, administratie, chaufferen, ehbo, tolk- en telefoonwerk - de acht 'diensten' die het KVV kende, voorzagen in alle mogelijke trainingen, toen natuurlijk meer nog dan nu voor vrouwen not done.

Feminisme

Het idee vrouwen in te schakelen bij de luchtbescherming kwam van de fameuze Truus Wijsmuller-Meyer, in de jaren vijftig en zestig liberaal gemeenteraadslid in Amsterdam en eind jaren dertig de grote vrouw achter de kindertransporten waardoor duizenden joodse kinderen uit Duitsland en Oostenrijk via Nederland overzee in veiligheid werden gebracht. Hueting vertelt die achtergrond niet en laat ook verder de relatie KVV-verzet onbelicht. Een link die hiermee samenhangt en die hij jammergenoeg evenzeer mist is die met het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging. Wie de namenlijstjes van IAV en UVV naast elkaar legt, ziet hoe sterk ze overlappen. Veel van de KVV-oprichtsters en bestuursleden van het eerste uur kwamen regelrecht uit het toenmalige feminisme. Rosa Manus bijvoorbeeld (in 1943 omgekomen in Ravensbrück), beroemd uit de internationale kiesrechtbeweging, was in 1935 een van de oprichtsters van het IAV. Onbetwist de drijvende kracht achter KVV en UVV was historica dr Jane de Iongh (1901-1982), eerste presidente van beide, en als lid van het eerste IAV-bestuur opstelster van de wetenschappelijke uitgangspunten van het archief. De kleurrijke De Iongh, befaamd om haar 'regentessentrilogie' (vuistdikke biografieen van Margaretha van Oostenrijk, Maria van Hongarije en Margaretha van Parma) en niet minder om haar fraai-gesneden maat-tailleurs, was de ideologe van 'het vrouwelijke'. Niet wegens de gelijkheid der seksen, maar juist omdat vrouwen zo 'anders-zijn', moesten zij in de samenleving een gelijkwaardige plaats innemen. De 'moederlijke kwaliteiten' waarover vrouwen, of ze nu kinderen hadden of niet, zouden beschikken, dienden ook buiten de 'enge' gezinssfeer hun nut te bewijzen, liefst via een maatschappelijke dienstplicht of een vrouwenleger.

De directe aanleiding tot oprichting van het KVV vormden de oorlogsdreiging en de grote gevaren die, meende De Iongh, door de nieuwe aanvalswapens, juist de burgerbevolking zou lopen. Daarnaast waren het vooral de acties tegen het wetsvoorstel van de katholieke minister Romme om gehuwde vrouwen alle arbeid buitenshuis te verbieden, die een jongere generatie vrouwen tot het feminisme brachten. Daaruit resulteerde, zo bleek mij uit eigen onderzoek naar vrouwen in het verzet en naar de beginjaren van dat IAV, een zuilen-overstijgend 'vrouwennetwerk' - een kring van dames, die zich op allerlei vlak inzetten voor de participatie van vrouwen in het openbare leven.

Dat de initiatiefneemsters van het KVV niet van de straat waren, hetgeen vooral door de NSB naar voren werd bracht, blijkt uit het feit dat hun eerste werkbijeenkomst, zomer 1938, werd belegd in het Amstelhotel. Maar hun voortvarendheid was er niet minder om, en hun aantrekkingskracht ook niet. Men stond in de rij om zich te melden en het KVV kon in 1939 bogen op 2400 verenigingsleden, van wie er in 1941 bijna 800 korpslid waren, dat wil zeggen: opgeleid en ingedeeld in een dienst. Het initiatief vond in tal van plaatsen navolging. Behalve voor leden van CPH en NSB stond het KVV principieel open voor elke vrouw. Sekse was het organisatieprincipe; godsdienst en levensbeschouwing deden evenmin ter zake als 'rang en stand'. Korpslid echter werd je niet zomaar. Het esprit de corps was hoog: geen drank, sigaretten of make-up; wel beschikbaarheid, discipline en 'onkreukbare trouw'. Immer paraat. Dit alles wierp vooral in de eerste oorlogsdagen zijn vruchten af, toen de KVV's in het gebombardeerde Rotterdam besmettelijke ziekten bestreden en kinderen onderbrachten, en de geoefende vrachtwagenchauffeuses goederen afleverden die men zelf in den lande had ingezameld.

Bezetting

Na dit enthousiaste begin lieten de problemen niet lang op zich wachten. Het Korps stond voor de beslissing wat te doen onder de bezetting. Een ledenstop moest NSB-vrouwen weren. Sommige afdelingen hielden ermee op toen joodse leden moesten worden verwijderd. Amsterdam echter kreeg van de burgemeester het advies de bevolking haar diensten te blijven bewijzen. Gelukkig hieven de Duitsers het KVV op voor het zover kwam. Wel resulteerde de aarzelende houding van het bestuur erin dat men collectantes leverde voor de omstreden Winterhulp-collecte van 1940, een feit waarover ik wel meer had willen horen dan Hueting ons vertelt (Jane de Ionghs lidmaatschap van de Nederlandse Unie blijft in Vrijwillig helemaal onvermeld).

Reeds gedurende de bezetting werd vervolgens de voorbereiding ter hand genomen van een landelijke onverzuilde vrouwenhulpverleningsorganisatie, die met kracht de wederopbouw van het vaderland ter hand zou nemen en daarna blijvend de sociale dienstverlening bij rampen en nood zou verzorgen. Reizend door het land, op zoek naar toekomstig UVV-kader, ontdekte De Iongh in Arnhem een 'beeldschone intelligente jonge vrouw met een wat verlegen glimlach', die aanvankelijk meende dat het te hoog gegrepen was om de leiding over een UVV-afdeling te nemen maar die tenslotte toch akkoord ging: Marga Klompé, later onze eerste vrouwelijke minister.

Dat katholieke vrouwen in de neutrale UVV mee zouden doen was overigens niet onproblematisch. Klompé trachtte van de bisschoppen gedaan te krijgen dat zij lid mochten worden maar in Brabant en Limburg bleek samenwerking onmogelijk. Heidens de stoep schrobben was tot daaraan toe, maar ongelovige hulp binnen een rooms gezin kon absoluut niet. De levensbeschouwelijke 'koepels' werden heropgericht en bleken onuitroeibaar; de grootse UVV-plannen, gebaseerd als die waren op het principe van een onverdeelde sekse-organisatie, liepen spaak.

Flirten

Niettemin vond de UVV in die eerste jaren haar finest hour. Met ongelooflijke energie begon de Unie, die al in 1944 over zo'n honderd afdelingen beschikte, aan het ruimen van het puin. Met een goed humeur en gezond verstand, of, in UVV-terminologie: met innerlijke beschaving, discipline, uithoudingsvermogen, een uitstekende gezondheid en zonder zich ergens te goed voor te voelen. Aan 'rooken en drinken' was heel modern een verbod tot flirten toegevoegd. Mobiele UVV-colonnes werkten soms wekenlang op een toegewezen plek, altijd zonder vergoeding, meestal in abominabele omstandigheden. Minister van Binnenlandse Zaken Beel erkende in een gesprek met De Iongh dat het te gek was dat, zoals zij het formuleerde, de UVV 'met haar eigen zakdoeken de Wieringermeer aandweilt'. Inzamelingen, schoonmaken, sanatoria en ziekenhuizen draaiende houden, ontredderde gezinnen bijstaan - alles viel de UVV ten deel. 'A strong man's job', meende een Britse majoor prijzend over een grootschalige enquête die de UVV op verzoek van het Militair Gezag in Rotterdam uitvoerde naar de gezondheidstoestand van de bevolking. Die krachtsinspanningen herhaalden zich rond de repatriëring uit voormalig Nederlands-Indië en bij de watersnood van 1953 toen de UVV grootscheeps hulpgoederen inzamelde en slik veegde.

Dienstverlening aan het vaderland, en tegen een totalitaire vijand - onder die noemer was ook het UVV-aandeel in de Bescherming Bevolking ten tijde van de Koude Oorlog nog wel te vatten, toen men moeders voorlichtte over het juiste gedrag bij een atoomaanval. Maar toen de derde wereldoorlog uitbleef restten de UVV eigenlijk alleen nog taken in de particuliere dienstverlening, in ziekenhuizen en in het sociaal werk onder 'ouden van dagen'. Bezigheden van blijvend en niet te onderschatten belang, maar niet wat ooit de bedoeling was geweest.

Zoals zovele vrouwenorganisaties raakte de UVV eind jaren zestig in een identiteitscrisis. Op het moment dat met name jonge vrouwen opnieuw hun achterstelling als sekse ter discussie gingen stellen, was deze geboren en getogen sekse-organisatie veranderd in een club die allereerst aan hulpverlening deed. In feite was de UVV terecht gekomen in de traditionele vrouwenrol: onbetaalde maar noodzakelijke arbeid in de 'vrouwelijke' sfeer. Het omgekeerde van wat de vreedzame revolutionaires van '38 voor ogen stond. Als elders Dolle Mina's verschijnen, doen in de UVV de consulentes, communicatiedeskundigen, beleidsmedewerkers en andere vergaderaars hun intrede. En daarmee de eerste mannelijke directeur en debatten over het juiste profiel en de juiste organisatieprincipes. Het 'welzijnswerk' professionaliseert, vrouwen willen betaald werk en de vraag dringt zich op wat de plaats van de vrijwilligster nog is. Als dan ook nog de voor de hand liggende gedachte rijst dat mannen wellicht ook vrijwilligster zouden kunnen zijn, raadpleegt men nog eenmaal de bejaarde Jane de Iongh, die in 1948 door de Nederlandse regering was benoemd tot cultureel attachée op de ambassade in Londen. Haar opinie laat aan duidelijkheid niets te wensen over: het maatschappelijk activeren van vrouwen kwam op de eerste, hulpverlening op de tweede plaats. Maar het bestuur verklaart toch hulp, en wel vrijwillige hulp, tot hoofddoelstelling en de letters UVV betekenen voortaan Unie Van Vrijwilligers. (De toeloop van mannen overigens bleef, zoals te verwachten was, uit.)

De belangwekkende vraag waarom deze omslag van sekse- naar hulporganisatie zich voltrok, komt in het gedenkboek helaas niet aan bod.

Hueting heeft ervoor gekozen na 1960 vooral interne discussies te bespreken, die echter even zouteloos als voorspelbaar zijn. Doordat de context buiten beschouwing blijft - de veranderingen in de positie van vrouwen; de verzorgingsstaat; de politieke geschiedenis van sekse rond de bevrijding; het verband tussen feminisme en ontzuiling; noem maar op - hangt de ontwikkeling van de UVV in de lucht. Ondanks dit gebrek aan analyse is Vrijwillig de moeite waard. Al was het maar om de vele mooie plaatjes en de kadertjes met praktijkervaringen. Eén detail laat mij niet los: in 1970 blikte De Iongh terug op haar ontdekking van de jeugdige Klompé; maar haar adjectief beeldschoon blijkt in Raad en Daad geschrapt. Was dat omdat Jane de Iongh met vrouwelijke partners leefde, en de UVV anno 1970 dat te eng vond?