Ligt u lekker? (slot)

Na zes weken hemeltergende citaten, schrijnende anecdotes en pijnlijke beschrijvingen, deze week tot slot de andere kant van het ziekbed. De blijken van humaniteit, zorg en mensenliefde. Er is namelijk ook veel om trots op te zijn in de Nederlandse gezondheidszorg. Dit schreef ons Raymond DeVries, werkzaam aan het St. Olaf College, Northfield, Minnesota, die in ons land onderzoek doet naar de gezondheidszorg. Hij kon het allemaal van nabij bestuderen, want hij belandde in een Utrechts ziekenhuis met een onregelmatige hartslag. In een 'open brief' aan president Clinton per e mail geeft hij de blik van een buitenlander op het Nederlandse systeem:

“In Nederland moet iedereen met een klacht eerst naar de huisarts. Anders kunnen de verrichtingen van de specialist niet vergoed worden. Een leuk idee om het misbruik, en het teveel gebruik van specialisten te voorkomen. Ik heb de huisarts opgebeld, en een afspraak voor de volgende dag gemaakt! De volgende dag! Thuis, in Amerika, moet ik vaak twee of drie weken wachten. Ik ging naar de huisarts en na een kort onderzoek verwijst ze me naar het ziekenhuis voor een ECG en een consult bij een cardioloog. Ik liep het ziekenhuis in, en binnen 15 minuten heb ik een ID-plaatje gemaakt en mijn ECG gekregen! Ongelooflijk snel. Ik denk dat zelfs de President van de VS langer moet wachten, om een ECG te krijgen. De zorgverleners van de receptie tot de verpleegster, tot de cardioloog, waren efficiënt en aardig. Ik was blij met de snelheid en de beleefdheid, maar natuurlijk was ik een beetje bang voor het advies van de cardioloog. Gelukkig vertelde de cardioloog me dat ik met geneesmiddelen kon worden behandeld. Met een rustig gevoel dacht ik over het systeem na. Niet alleen is het goed geregeld - snel en makkelijk - maar het is voor iedereen bereikbaar. Als je dit systeem vergelijkt met dat van de VS, dan is dat om te huilen. Nederland, beste Bill, is een toets voor ieder nieuw gezondheidsplan dat in de VS voorgesteld is. Politici moeten zich afvragen: als ik arm en ziek ben, waar zou ik dan liever wonen, de VS, Canada, Nederland, Engeland? En, zul je vragen, wat kost zo'n schitterend systeem? Geloof het of niet, minder dan in de VS. Thuis betaal ik $350 per maand voor een polis met $1000 eigen risico voor ieder gezinslid. Hier betaal ik slechts $150 per maand en heb ik geen eigen risico. De Nederlander betaalt slechts 8.2 procent van hun BBP (Bruto Binnenlands Produkt) voor gezondheidszorg. Wij betalen iets boven 13 procent. Hier is iedereen verzekerd, thuis lopen 37 miljoen zonder verzekering rond. Dat komt omdat het stelsel is opgebouwd met coöperatie, niet concurrentie. Door regelmatige gesprekken tussen regering, verzekeraars, werkgevers, werknemers, en zorgverleners in de Ziekenfondsraad worden de kosten vastgesteld. Dus is verzekeren hier veel minder duur. Bill, je moet de strijd voor betere gezondheidszorg niet opgeven. Je moet hier eens komen kijken.” Hoogachtend, devries@stolaf.edu.

Zaterdags Peil: onder en boven het ziekbed. De boekebonnen werden toegekend aan: J. Duchateau, H. van Twisk en H.P. Lampe.

Fris

Als longpatiënt neem ik deel aan een sportgroepje dat door een fysiotherapeute wordt geleid. Evenals haar collega's is zij voor ons, mannen van niet-meer-zo-piep tot gepensioneerd, relatief jong. Sommigen van ons hadden met gemak haar vader kunnen zijn. Opvallend is de vrolijke kortdaatheid die al deze meiden tentoon spreiden en die de treurigheid die ons allemaal wel enigszins aankleeft, verdrijft.

Bij de introductie van een wat zwaardere oefening verzuchtte eens een van ons: “Ze heeft ook helemaal geen medelijden met ons”. Fris van de lever kwam het antwoord: “Waarom zou ik medelijden met jullie hebben?”

Ik heb zelden iemand zich zo onbekommerd horen ontdoen van een morele last die niet op haar schouders hoorde en waarvan het aanvaarden de verhoudingen eerder zou hebben belast dan verlicht.

Jan Duchateau

Nijmegen

Lavendel

Twee-en-tachtig was ik toen, bij het opstappen, mijn voet van de trapper schoot en ik met mijn heup tegen een scherpe stoeprand viel. Consequentie: een nieuwe heup, met als toegift een levensbedreigende longembolie waardoor maar 1/4 van mijn longen functioneerde. Dit alles leidde tot zes weken ziekenhuis plus zes weken verpleeghuis.

Nadat ik even moeizaam op de been was geweest, trof een mij bezoekende vriendin me in verontrustende staat van ademnood aan. Ik merkte dat ik met bed en al razendsnel werd afgevoerd. In de gang klapten deuren open met op de linkerhelft “Intensive” en rechts “Care”.

Van de Intensive Care herinner ik me weinig. Ik besefte niet eens dat ik aan allerlei apparatuur lag gekoppeld, waardoor alarmsignalen werden uitgezonden als ik niet doodstil lag. Bezoek herkende ik dikwijls niet, en het schijnt dat ik vaak wartaal praatte. Toen ik iets van mijn omgeving begon te beseffen, verscheen er vrijwel dagelijks uit het niets een gestalte in iets lavendelkleurigs. Ze kwam bij mijn bed staan en zei zachtjes: “U bent erg ziek geweest, maar alles komt goed. Moed houden, hoor!” Ik had geen idee wie of wat het was, maar zeker geen arts of verpleegkundige die iets aan me kwamen doen. Het was in de droomtoestand waarin ik verkeerde, een soort fee. Zo gauw die lavendelkleur op mijn netvlies verscheen veerde ik inwendig op; want dit was mijn troost, mijn houvast.

Toen kwam de dag waarop ze zo dicht bij me stond dat ik haar badge kon lezen: dr. ....., anaesthesie. Ze zei: “Ja, nu gaat u morgen naar het verpleeghuis, dus kan ik nu niet meer opzoeken, maar ik zal veel aan u denken.” Ik was verbijsterd, want wie had ooit gehoord dat degene die je narcose heeft gegeven je met een voorbeeldige trouw blijft bezoeken om je te bemoedigen. Ik heb haar voor altijd in mijn hart gesloten. En toen later bij de eerste controle, de internist me aandachtig aankeek en zei: “Nou mevrouw dat was een dubeltje op zijn kant!” Dacht ik: “Maar zonder haar was dat dubbeltje misschien naar de verkeerde kant gevallen”.

H. van Twisk

Amsterdam

Bejaard

Nooit zal ik die ene opa en oma vergeten die, in overleg met de ouders, de jarenlange zorgtaak op zich genomen hadden van hun, inmiddels ± 20 jarige lichamelijk- en geestelijk gehandicapte kleinzoon.

Het kleine kind was vroeger, na de uiteindelijke diagnose bij hun komen wonen, zodat de ouders, tezamen met hun andere kinderen, nog een enigszins normaal gezinsleven konden leiden. Natuurlijk, zo bevestigden de bejaarde mensen, at hij mee aan tafel (ik moest er persoonlijk niet aan denken) en natuurlijk ging hij overal mee naar toe (ze hadden een aangepaste auto). Het tillen van het inmiddels zware, misvormde lichaam konden ze samen nog net opbrengen: in de (aangepaste) box in de kamer, uit z'n bed en in de rolstoel. Hij hoorde er helemaal bij en had een belangrijke plaats behouden bij de vader, moeder, zusjes en broertjes.

Urenlang zaten opa en oma naast het bed tot hij ontwaakte uit de narcose (ikzelf als verpleegkundige, zag het verschil nauwelijks). Zij koesterden het verminkte, verkromde lichaam, veegden z'n met kwijl besmeurde mond af, praatten tegen hem toen hij 'wakker' was. Geen blik of woord van dat het hun moeilijk of zelfs zwaar viel. Het was voor hun de gewoonste zaak van de wereld.

Deze twee bejaarde mensen waren een toonbeeld van medemenselijkheid, barmhartigheid, eenvoud en liefde.

Ik vond dat ze op z'n minst een lintje verdienden of een vermelding in een blad of zo. Ze vielen niet en wel op temidden van de koele medische wereld vol techniek die de post-operatieve zorg van patiënten omringt. Ik weet niet of ze het lintje ooit gekregen hebben, maar ondanks dat het al jaren geleden is, ben ik ze nooit meer vergeten.

J.P. Lampe

Haren

Ongemakkelijk

Voorafgaand aan een operatie moesten bij mij enige röntgenfoto's worden gemaakt om vast te stellen waar precies geopereerd moest worden. Ik werd in het ziekenhuisbed naar de röntgenafdeling gereden, waar ik enigszins stijf van het bed af klom. De röntgenassistente verzocht mij in een stoel plaats te nemen en ging direct een kussen halen om mijn rug wat te steunen. Tweemaal achtereen moesten dezelfde foto's worden gemaakt. Er werden dunne naalden in mij geprikt en ik moest bijna een kwartier in een hoogst ongemakkelijke houding doodstil voor het apparaat zitten. Op zeker moment werd het me allemaal wat teveel en ontsnapte mij een lichte zucht. Plotseling voelde ik hoe de assistente heel zacht en troostend over mijn afhangende hand streek. Dit bewijs van meeleven deed mij zo goed, dat ik het niet gauw zal vergeten.

M.A. Buising

Houten

Moed

Zeventien jaar lang had ik met galklachten rond gelopen. De chirurg vroeg mij, na bestudering van de röntgenfoto's: “Waarom zo lang gewacht voordat u hier kwam? U draagt een hele stenenfabriek met u mee.” Ik bekende kleintjes: “Ik ben zo verschrikkelijk bang voor operaties.”

Waarop hij op stond, naar mij toe kwam, naast mij hurkte, mijn hand pakte en zei: “We slepen u er wel doorheen.”

Dit gebaar was van zo'n hartverwarmende troost dat ik prompt moed kreeg om het allemaal te doorstaan.

M. van Woerden

Haarlem