Kinderen van de Lage Landen

RUDOLF DEKKER: Uit de schaduw in 't grote licht. Kinderen in egodocumenten van de Gouden eeuw tot de Romantiek

288 blz., geïll., Wereldbibliotheek 1995, ƒ 39,50

Er zijn in de geschiedenis grote groepen mensen, zelfs hele beschavingen geweest waar men meende dat kleine kinderen van nature slecht zijn. De opvoeding diende ertoe, deze roofdiertjes fatsoen bij te brengen. In het calvinisme heette het dat kinderen reeds bij hun geboorte beladen waren met de erfzonde: het waren niet zozeer roofdiertjes als wel heidenen, die zo snel mogelijk - en met alle middelen - tot christenen moesten worden gemaakt.

In de achttiende eeuw begon de tegenovergestelde gedachte opgang te maken. Helemaal nieuw was die niet, maar met de Verlichting ontstond toch een nieuwe gevoeligheid voor het idee van de onbedorven natuur van elk mensenkind. Naarmate dat idee verbreid raakte (en het is in onze eigen cultuur nog steeds overheersend) werd de opvoeding allengs gezien als een taak die méér eiste dan strengheid alleen.

Over opvoeding en kindertijd in vroeger eeuwen is sinds het baanbrekende werk van de Franse historicus Philippe Ariès (1960) veel gepubliceerd. Maar aan de specifiek Nederlandse tradities op dit gebied is nog weinig aandacht besteed, zeker niet op een voor het publiek toegankelijke wijze. Een poging om deze leemte te vullen doet de historicus Rudolf Dekker in zijn boek Uit de schaduw in 't grote licht. Hij wil een beeld schetsen van hoe de opvoeding van kinderen in onze eigen streken in zijn werk ging, en veranderde, tussen circa 1600 en 1850. Bezoekers uit het buitenland werden vaak getroffen door de afwijkende, vrije omgang tussen ouders en kinderen hier te lande. Het grappige is dat de getuigenissen uit de zeventiende en achttiende eeuw die Dekker aanhaalt - van een Brit, een Duitser, een Fransman en een Zwitser - onweerstaanbaar doen denken aan hedendaagse observaties van buitenlanders over ongedisciplineerde Nederlandse kinderen. Doen wij het dan echt anders?

Ook Simon Schama schreef in zijn boek Overvloed en onbehagen, alleen al op basis van kunsthistorische bronnen, dat in de jonge Republiek op een bijzondere manier met de jeugd werd omgegaan. Vroeger dan waar ook ter wereld werd hier het kind in zijn kinderlijkheid erkend - en afgebeeld. Na lezing van het boek van Rudolf Dekker is de lezer geneigd dit te bevestigen. Je krijgt de indruk dat hier te lande inderdaad milder - en in onze ogen 'normaler' - met kinderen werd omgesprongen dan uit de verhalen van Franse en Britse historici valt af te leiden over het buitenland.

De egodocumenten uit de ondertitel zijn dagboeken, brieven en autobiografische herinneringen. Daarvan zijn er in het Nederlandse taalgebied veel meer bewaard gebleven dan lang is gedacht. Dekker wijst erop dat dergelijke persoonlijke bronnen een onmisbare aanvulling vormen op materiaal als doopregisters en pedagogische verhandelingen, dat vanouds is gebruikt door gezinshistorici. Dagboeken en herinneringen tonen iets van de praktijk van het leven, waarnaar bij die andere bronnen slechts gegist kan worden. En de interpretaties van historici zijn juist op dit terrein vaak gekleurd door persoonlijke emoties en vooroordelen.

Uit de schaduw begint met de portretten van acht kinderen (of eigenlijk beter gezegd ouder-kindrelaties) uit het verleden: vijf uit de zeventiende eeuw en drie van omstreeks 1800. Van de eerste vijf zijn vier gebaseerd op dagboeken van vaders en één op brieven van een moeder, van de tweede groep twee op dagboeken van kinderen en één op het dagboek van een vader. Aardig is dat het niet uitsluitend om leden van de elite gaat, maar dat ook de (berijmde) aantekeningen van een ambachtsman, Hermannus Verbeecq, en het dagboekje van een boer, Dirck Jansz, besproken worden.

Na die acht case-studies volgen zeven hoofdstukken waarin Dekker op basis van deze en andere bronnen analyseert hoe gedacht werd over afzonderlijke kwesties: kinderspel, (lijf)straffen, borstvoeding, beroepskeuze, scholen, jeugdherinneringen en de dood van een kind. In dat allerlaatste hoofdstuk gaat het expliciet over een vraag die ook al eerder in het boek opduikt: de veelbesproken kwestie of ouders in die tijd op dezelfde manier van hun kinderen hielden als ouders van nu. Was het vroeger niet alleen gewoner als een zuigeling of kind doodging, maar werd het ook minder erg gevonden? Ontbrak het, zoals Elisabeth Badinter schreef, ouders in de oude tijd echt aan zorgzaamheid, ja aan liefde?

Ontroerend

Regelmatig zijn de oude bronnen ontroerend om te lezen. De intelligente en tedere aantekeningen van Constantijn Huygens over zijn kinderen verrassen de lezer misschien nog minder dan het verhaal van de ongelukkige Verbeecq, die vaak zonder werk zat en in bittere armoede moest leven, en zes van zijn acht kinderen zag sterven voor zij uit de luiers waren. Opmerkelijk is de geprikkelde sfeer in het gezin van Hugo de Groot, die geschetst wordt aan hand van de brieven van zijn vrouw, Maria van Reigersberch. De Groot had maar weinig belangstelling voor de ontwikkeling van zijn kinderen, een verrassend verschil met zijn tijd- en milieugenoot Constantijn Huygens. Dat er rond 1800 iets veranderd was in het denken over opvoeding en jeugd, wordt wel duidelijk uit de drie dagboeken uit die tijd. Er is dan meer aandacht voor het persoonlijke, het intieme zelfs. Over het opvoeden wordt nagedacht en gelezen. Volgens Rudolf Dekker werd een kind allengs meer gezien als een persoon, en minder als een schakel in een genealogische keten.

Ook het karakter van het dagboek, het 'egodocument' zelf is veranderd. De enkeling die zoiets in de zeventiende eeuw bijhield deed dat meer als kroniek, vaak om te worden gelezen door zijn nakomelingen. De boer Dirck Jansz tekende naast leven en sterven van zijn kinderen ook de weersomstandigheden en de broodprijzen op. Zijn bewogenheid over de tragische gebeurtenissen is soms alleen af te leiden uit de precisie waarmee hij de leeftijd van een gestorven kind vermeldt. De dagboeken uit de tijd van Verlichting en Romantiek hebben veel meer het karakter van ontboezemingen. Die verandering in de aard van de hier gebruikte bronnen - waar Dekker zelf al in de inleiding van zijn boek nadrukkelijk op wijst - bemoeilijkt het vergelijken van de verschillende perioden.

Dat probleem doet zich vooral voor in het hoofdstuk waar het verdriet om overleden kinderen wordt behandeld. Na te hebben vastgesteld dat ouders in zeventiende-eeuwse dagboeken vaak weinig woorden spendeerden aan de dood van jonge kinderen, draagt de auteur voor die vroegste tijd vrij onverwacht een nieuwe bron aan: grafschriften en overlijdensgedichten. Ook al doen die voor ons begrip nog formeel aan, hier toonde men toch meer dan in de dagboeken zijn gevoelens.

Minnen

Als men deze zeventiende-eeuwse rouwpoëzie erbij betrekt, lijkt het toch weer een misvatting, te denken dat ouders van vóór 1750 niet zo zwaar tilden aan het verlies van een kind. Voor de lezer van Dekkers boek is het een beetje merkwaardig, in dit hoofdstuk ineens te worden geconfronteerd met bronnen die kennelijk een zo veel beter beeld geven van de menselijke emoties dan de 'egodocumenten' doen; maar waar het natuurlijk om gaat is dat het beeld daarmee genuanceerder wordt, en dat is de bedoeling van de auteur geweest.

Als ouders in de zeventiende eeuw veelal een berustende, ja flegmatieke houding vertoonden bij de dood van een kind heeft dat bovendien, zoals Dekker ook uitlegt, te maken met het christelijke geloof, dat leerde dat het gestorven kindje 'veilig in Jezus' armen' was. Een factor die hij naar mijn gevoel veronachtzaamt is de grote kans op ziekte, ongelukken en verdriet in het gewone leven van die tijd. Ook die moet het de pre-moderne ouder iets gemakkelijker hebben gemaakt te geloven dat hun dode kind 'veel bespaard' is gebleven.

Ook in het hoofdstuk over moeders en minnen, over het uitbesteden van de borstvoeding dus, lijkt Dekker mij nog te zeer in de twintigste-eeuwse denkwereld vast te zitten. De gedachte dat het in primitievere samenlevingen dan de onze domweg de norm, het algemene streven van vrouwen was om niet zelf de borst te hoeven geven, past niet in zijn hoofd. Toch is dat zo: de brede onderlaag had geen keus, maar wie het zich kon veroorloven nam voedsters in dienst - net zoals de vrouwen in de Derde Wereld vandaag de dag zodra ze de kans krijgen naar kunstvoeding grijpen, zelfs waar dat risico's voor hun kinderen meebrengt.

Al zoogde de Moeder Gods op duizenden altaarstukken haar baby, al zijn er ook altijd wijze mannen geweest die voor de eigen moedermelk pleitten: een min hoorde bij het leven op stand, net als de meid en de knecht. Natúúrlijk werden ook in de familie Huygens minnen gehuurd; Dekkers verwondering over dat feit doet een beetje naïef aan.

Lijfstraffen

Het kan niet anders of een boek over een onderwerp als dit, en gebaseerd op dit soort bronnen bevat vele vertederende, soms ook verbijsterende details. Wat in het algemeen opvalt is, hoe geringschattend vroeger over spelen en speelgoed werd gedacht. Dat is natuurlijk wel in overeenstemming met het gebrek aan belangstelling voor het kind-als-kind. Des te aandoenlijker is een citaatje van de boer Dirck Jansz die vertelt dat hij een 'houten kloek met twee ballen' voor zijn zoon Tjomme heeft gemaakt, waarmee de éénjarige onvermoeibaar door het huis waggelt.

Zulke dingen zijn over een afstand van eeuwen wonderlijk herkenbaar. Dat geldt ook voor het verschrikte verslag door een vader van de eerste bevalling van zijn vrouw in 1820, en voor de herinneringen een negentiende-eeuwse notabel, die op hoge leeftijd nog precies weet wat hij als vierjarige allemaal dacht en verzon bij de dood van zijn kleine broertje.

Het vanzelfsprekende tuchtigen vormt voor de moderne lezer een van de ellendigste aspecten van het opvoeden in vroeger tijden. Dekker komt, aarzelend maar toch, tot de conclusie dat lijfstraffen in dit land misschien inderdaad minder werden toegepast, en minder genadeloos, dan in een land als Engeland.

Na het hoofdstuk over dit onderwerp volgt er nog een over scholen, waar afschuwelijk veel en wreed geweld werd gebruikt. Omstreeks 1800 werd daar meer over geschreven dan tevoren, misschien omdat men het minder vanzelfsprekend ging vinden. Maar misschien ook omdat in die tijd het gebruik van geweld op de steeds vollere scholen echt toenam; die laatste mening is Dekker toegedaan.

De auteur heeft een grote berg van deels handgeschreven, deels gedrukte bronnen doorgewerkt om dit boek te kunnen schrijven. Daarbij heeft hij niet de fout gemaakt te denken dat al die teksten voor zich kunnen spreken. Hij heeft ze ten behoeve van zijn lezers verwerkt in een lopende tekst van zijn eigen hand. Helaas heeft hij het stilistische probleem van het aan elkaar schrijven van een heterogene massa citaten en achtergrondinformatie niet altijd met gratie kunnen oplossen. De tekst heeft soms iets houterigs, en ook wel iets schools, vermoedelijk als gevolg van grote voorzichtigheid. Dat doet een beetje af aan de charme van een verder zorgvuldig opgebouwd en aardig geïllustreerd boek over een onderwerp dat iedereen zou moeten interesseren.