'Ik ben de laatste jaren af en toe duizend doden gestorven'

Ooit was hij een grote wielerbelofte, maar ERIK BREUKINK (31) heeft de hoge verwachtingen eigenlijk nooit kunnen waarmaken. In de Tour de France van 1990 werd hij nog derde, sindsdien ging het bergafwaarts. Dit jaar rijdt hij als duurbetaalde hulpkracht bij zijn Spaanse werkgever Once. 'Knecht vind ik een rot woord.'

Afgelopen dinsdag, een half uur na de ploegentijdrit in Alençon. De slijm hangt uit zijn mond, het ongeschoren gezicht geeft het uiterlijk van Erik Breukink een heldhaftig karakter. Even later toont hij zich openhartig over zijn matige vorm. “Ik was niet zoals ik vroeger kon rijden. Een of twee keer moest ik verzaken. Ik had op sommige momenten geen kracht meer om iets te roepen. Vooral in het begin was het zwaar. Dan kom ik explosiviteit tekort.”

Afgelopen woensdag, twee uur na de massasprint in Le Havre. Het kapsel is keurig gekamd, de baardstoppels zijn glad geschoren en zijn ogen blijken veel groener dan voor mogelijk gehouden. Zijn blik is ongelooflijk lief, bijna een sportman onwaardig. “De mensen zien het niet aan mij af, maar ik ben de laatste jaren af en toe duizend doden gestorven. Dat geldt ook voor Indurain, die zie je ook niet afzien. Maar reken maar dat elke wielrenner over de rooie gaat.”

Hij beklaagt zich over het feit dat de pers zijn woorden heeft verdraaid na de ploegentijdrit. Breukink is een gevoelige en goedgelovige jongen, wiens eerlijkheid niet altijd in zijn voordeel werkt. Hij had ook kunnen zeggen dat de ploeg dankzij hem zo goed heeft gefietst. Niemand die het tegendeel zou kunnen aantonen. Maar hij vertelde dat het over het algemeen nogal zwaar is geweest, dat de kopmannen Zülle en Jalabert veel sterker waren. En daar werd over geschreven. Dat was nieuws. Breukink kon wederom niet tippen aan het hoogste niveau.

“We rijden in een heel sterke ploeg, met jongens als Zülle, Jalabert, Mauri en Bruyneel. Je moet reëel zijn dat er een paar jongens sterker zijn. Binnen zo'n ploeg als Once mag je als gewone renner niet te veel ambities hebben. Dan is het al knap als je bij kan benen. Ik had dinsdag ook kunnen zeggen dat ik het tempo heb aangevoerd, maar zo zit ik niet in elkaar. Ik zoek nooit naar excuses. Heb ik vroeger ook nooit gedaan. Als je een mindere dag heb, moet je dat gewoon erkennen. Ik wil mezelf nog in de spiegel kunnen aankijken.

“Ik ben van mening dat ik niet slechter ben gaan fietsen, alleen zijn de anderen veel beter geworden. Daar moet je heel eerlijk in zijn. De echte eerzucht om een etappe te winnen is er niet meer. Op bepaalde momenten kun je nu wat meer ontspannen in het peloton rijden. Maar als je eerlijk bent, is het leuker om mee te spelen op het hoogste niveau. Je bent toch eerzuchtig om van voren te willen rijden, ook al ben ik dan niet echt een winnaarstype.

“De explosie heeft bij mij altijd ontbroken, dat kun je ook zien aan de testen. Alleen mijn uithoudingsvermogen is altijd goed geweest. Dat gebrek aan explosiviteit is een belangrijkere oorzaak van mijn mindere presteren dan die zogenaamde netheid. Dat heeft er denk ik niks mee te maken. Anders had ik toch ook nooit derde in de Tour kunnen worden. Dat was mijn hoogtepunt. Die derde plaats in Parijs schat ik toch ietsje hoger in dan de tweede plaats in de Giro.”

Een jaar na zijn sportieve hoogtepunt in Parijs moest hij de keerzijde ervaren. Sinds de Intralipid-affaire in de Tour van 1991 is het nooit meer helemaal goed gekomen met de wielrenner Breukink. De dubieuze voedselvergiftiging in de PDM-formatie leidde tot de opgave van alle coureurs. Ploegarts Sanders werd als zondebok aangewezen. Ploegleider Gisbers kreeg het voordeel van de twijfel. Een ding is zeker, de medische wetenschap gaat heel ver in de begeleiding van een wielrenner. En Breukink is intelligent genoeg om de werkzaamheden in de laboratoria met argwaan te bekijken.

Hij is en blijft een bewonderaar van Jan Gisbers, met wie hij zijn sportieve hoogtepunt en dieptepunt heeft meegemaakt. “Gisbers legde weinig druk op de renners. Hij had niet het stempel van een echte leider. Hij stond dichter bij de renners dan de meeste ploegleiders. Die voedselvergiftiging kan toch onmogelijk zijn schuld zijn. Daarvoor is er te knullig gehandeld. Gisbers is een professionele man, die zou zoiets in de hand hebben.”

Over zijn huidige ploegleider Manolo Saiz is Breukink gematigd tevreden. “Het is een moeilijke man om mee te discussiëren. Hij wil altijd gelijk hebben en bemoeit zich met alles”, vertelde hij tegen het Algemeen Dagblad. Een paar maanden later is hij positiever. “Saiz komt misschien heel nerveus over, maar vergeet niet dat hij een Spanjaard is. Hij is altijd bezig, ontzettend bezeten van zijn vak.”

De sympathie voor Breukink is universeel. Zelden heeft zo'n keurige jongen op een racefiets gezeten. Hij hoort eerder op het hockeyveld thuis dan in de wielrennerij, klinkt het in de wandelgangen. Het zachte karakter werkte uiteindelijk in zijn nadeel. Naarmate zijn prestaties minder werden, kreeg hij het predikaat van een 'gemakzuchtige miljonair'. Bij Once kreeg hij afgelopen winter een veel minder riant salaris aangeboden dan hij gewend was. “Ik heb niet waar kunnen maken wat ze hadden verwacht, daar moet ik heel eerlijk in zijn. Toch is er binnen de ploeg nooit veel kritiek geweest. Wielrenners kijken niet gauw naar anderen. Ze weten wat je er allemaal voor moet doen en voor moet laten. Dat mijn salaris met een kwart is teruggeschroefd, was een reële achteruitgang. Alleen had het management van Once er eerder mee voor de dag moeten komen. Nu hoorde ik het pas in november en was er geen tijd meer om eventueel naar een andere ploeg uit te kijken. Maar Saiz kan ik niks verwijten, hij stond daar helemaal buiten.”

Breukink heeft geen moeite met de gemaakte afspraken bij Once, waar hij een ondergeschikte rol kreeg toebedeeld. “Als ik eventueel een wiel moet afstaan, zal ik dat zonder morren doen. Aan de andere kant heeft het altijd zin om bij een ontsnapping te zijn. Tenzij je de gele trui hebt. Die moet je ten koste van alles verdedigen.”

In Alençon vertelde hij dinsdag dat hij zich nog helemaal geen knecht voelt. “Knecht vind ik ook een stom woord. Ik heb zo vaak renners om me heen gehad die het vuile werk voor me opknapten, maar die beschouwde ik niet als knecht.” Als zoon van de gepensioneerde Gazelle-directeur Wim Breukink kan hij zich na zijn actieve loopbaan wellicht nuttig maken in de Dierense fietsenfabriek. Hij houdt een slag om de arm. “Ik weet niet wat de toekomst brengt. Misschien kan ik op zakelijk gebied iets voor de wielrennerij betekenen. Maar ploegleider zal ik nooit worden. Daar ben ik helemaal niet geschikt voor. Daar moet je veel harder voor zijn.

“Voorlopig blijf ik nog een paar jaar fietsen, maar ik doe niet mee aan schattingen. Zolang het trainen me nog niet tegen gaat staan en ik niet te veel heimwee krijg, houd ik het nog wel een tijdje vol. Als het wat minder gaat, verlang je meer naar huis. Zeker met een baby. Dan ga je nog meer relativeren, hoewel ik dat volgens sommige mensen al te veel heb gedaan. Veel mensen hebben geprobeerd me te veranderen. Met de vuist op tafel moest ik slaan, explosiever worden. Maar als dat niet in je zit en je gaat zoiets forceren, dan wordt het lachwekkend. Je moet roeien met de riemen die je hebt.”

Of hij het wielrennen zal missen? Hij durft het niet te zeggen. “Ik houd er in elk geval geen vrienden aan over. De renners zijn veel te veel met zichzelf bezig om een serieus contact met iemand anders op te bouwen. Wielrenners zijn echte individualisten die zich schikken naar het peloton. En topsport is per definitie egoïstisch van karakter. Je zit al zoveel maanden per jaar boven op elkaar, dat je de andere momenten graag alleen bent. Maar ik heb er nooit een probleem van gemaakt om een hotelkamer te moeten delen. Als je altijd maar alleen zit, komen de muren op je af.”

Hij wendt zich af en kijkt naar de televisiebeelden van de valpartij van de Belg Hendrik Redant, die hevig bloedend wordt gefotografeerd. Breukink bekritiseert de journalistieke weergaven van het ongeluk. “Als je ziet dat al die camera-mensen rond Redant gaan staan om zijn bebloede kop te filmen, dan vind ik dat onmenselijk. De Tour is toch geen actiefilm.”

Maar de Tour is tegelijkertijd de grote liefde van elke wielrenner. Zelfs Breukink kan zich nog elk jaar verheugen op La Grande Boucle, hoewel hij vaker heeft beweerd de wielrennerij als zijn werk te beschouwen. Met de Tour heeft hij een haat-liefde-verhouding. “Iedere renner heeft momenten dat hij de Tour vervloekt. Dat is altijd zo geweest. Ik vrees de Alpen niet. Als je een goede dag hebt, is er misschien nog van alles mogelijk. Zo'n goede dag voel je soms helemaal niet aankomen. Dan rijd je niet best en opeens kun je mee naar voren.”

Vorig jaar liet Breukink zich ontvallen dat hij de gemiste eindzege in de Ronde van Frankrijk als een enorme teleurstelling ervaarde. Het doel van zijn wielerleven was de Tour, de wedstrijd die hem op het lijf geschreven was. Als erkende tijdrijder en redelijke klimmer leek hij voorbestemd net als zijn leeftijdgenoten Indurain en Rominger naar grote hoogte te stijgen. Maar morgenmiddag behoort De Breuk zeer waarschijnlijk tot de grauwe middenmoot in de eerste individuele tijdrit van Huy naar Seraing. De rouleur rijdt domweg niet hard genoeg meer.