Holland in verlichte ogen

FRANCE GUWY: Voltaire, Help! De Hollandse ervaringen van Voltaire en de invloed op zijn denken

183 blz., geïll., Balans 1995, ƒ 32,50

DENIS DIDEROT: Over Holland. Een journalistieke reis 1773-1774

173 blz., Contact 1994, vert. Eef Gratama, ƒ 34,90

Maar liefst vier maal is Voltaire in Holland geweest. Op negentienjarige leeftijd arriveerde hij voor de eerste keer in Den Haag. Aldus ontdeed vader Arouet zich van zijn vrijpostige zoon, die hij als extra secretaris aan de ambassadeur had weten toe te voegen. De lastpak werd na een amoureuze affaire echter vrijwel per kerende post geretourneerd, met de aantekening dat het om een hopeloos geval ging: “dichter en verliefd, dus twee keer gek. Over enkele dagen zal hij in Parijs zijn.”

Negen jaar later keerde Voltaire terug, in gezelschap van zijn rijke maîtresse, de gravin van Rupelmonde. In de Zeven Provinciën vond hij een uitgever voor Le Henriade, een lofzang op het verdraagzame bewind onder Henri IV die in Frankrijk niet mocht verschijnen. Tijdens dit verblijf ziet Voltaire in Amsterdam “de raadspensionaris te voet, zonder lakei, te midden van het gepeupel”. Hij vermeldt het met instemming, al is dat waarschijnlijk eerder uit haat jegens de hiërarchische standenmaatschappij van het Ancien Régime dan uit zijn liefde voor het volk.

De derde maal is Voltaire in Holland omdat hij in Frankrijk vervolgd wordt wegens publikatie van zijn Lettres Anglaises. In deze dagen houdt hij zich veel bezig met wetenschap, vooral met het werk van Newton dat mede door zijn bemoeienissen tot een boegbeeld van de Europese Verlichting wordt. Voltaire heeft veel aan contacten met de geneeskundige Boerhaave en de filosoof en wiskundige 's Gravesande, beiden in Leiden gevestigd.

In 1740 kwam hij voor de laatste keer naar Holland, nu om de Amsterdamse uitgever Van Duren een manuscript te ontfutselen van Frederik II. Dit geschrift, dat de Pruisische vorst (en beschermheer van menig Verlichtingsdenker) op jonge leeftijd had geschreven, bevatte compromitterende passages. De geslepen Voltaire deed zijn best voor de koninklijke vriend, maar het lukte hem niet. Toen hij ook nog bedrogen werd door een van zijn eigen uitgevers, riep hij de inmiddels gevleugelde woorden over Holland: “Adieu canards, canaux, canailles!” France Guwy laat er in Voltaire, Help! meteen vergoeilijkend op volgen dat hij in diezelfde tijd verklaarde, dat hij het misbruik van de vrijheid van drukpers nog altijd verkoos “boven de verstikking waarin men de menselijke geest in Frankrijk gevangen houdt”.

De titel van het boek ontleent Guwy aan een spandoek dat bij een demonstratie voor Salman Rushdie werd meegevoerd. De leuze beklemtoont fraai de actualiteit van Voltaires houding, nu veel intellectuelen zich met hun engagement niet goed raad weten.

Encyclopedist

Het is de vraag hoe belangrijk Voltaires belevenissen en ontmoetingen zijn geweest in het land “waar men naar de hemel gaat zoals men dat zelf het prettigst vindt”. Weliswaar noteert de auteur om de tien bladzijden plichtmatig, dat de Hollandse tolerantie en politiek Voltaire inspireerden, maar meer dan dit cliché treft men over die invloed niet aan. Of het zou de constatering moeten zijn, dat de genoemde uitgever Van Duren later in Candide in de gestalte van de Hollandse schurk en koopman Vanderdendur terugkeert, een opmerking die al in menige schooleditie van Candide valt te lezen.

In feite gaan hooguit tien pagina's over Voltaires Hollandse ervaringen, en dat is jammer. Want aan het smeulende debat over de Nederlandse identiteit kunnen juist reisverslagen en brieven van scherpzinnige geesten als Voltaire wat prikkelende brandstof toevoegen. Veel aantrekkelijker dan de naïef anekdotische hagiografie van Guwy is dan ook een boek van een ander Verlichtingsdenker, Diderots onlangs vertaalde Over Holland. Een journalistieke reis.

Diderot is niet minder chaotisch, maar hij is wel sprankelend en vaak geestig. “Wie”, zo schrijft hij, “een dikke Hollander altijd met een pijp in zijn mond ziet, daarbij zijn kolossale gestalte in aanmerking neemt en zich bedenkt dat hij zich voedt met boter en melk, zal waarschijnlijk moeten denken aan een levende distilleerkolf die zichzelf aan het destilleren is.” De inwoners van de Verenigde Nederlanden zijn in zijn ogen nogal lomp; na hun achttiende raken ze al hun charmes kwijt. Een mooi gebit treft men zelden aan, wat aan het klimaat, het voedsel dan wel aan het vele roken te wijten is.

We zien hier een typisch achttiende-eeuwse reiziger, die niet wegdroomt in het exotische van een ander land, maar die steeds op zoek is naar hoe de dingen in elkaar steken en wat hij daarvan mee naar huis kan brengen. “Een reiziger”, meent Diderot, “zou het nodige in zijn bagage moeten hebben op het gebied van wiskunde, algebra, geometrie, mechanica, hydraulica, experimentele fysica, natuurlijke historie, chemie, tekenen, geografie en zelfs wat astronomie: kortom, datgene wat men gewoonlijk weet als men tweeëntwintig jaar oud is en een liberale opvoeding heeft genoten.”

Men moet de landstaal begrijpen, aldus Diderot, zodat men specialisten over hun kennis kan ondervragen. Zo dient men bij een arts te informeren naar de gezondheid, het voedsel, de lucht, het karakter; verder staan op zijn lijstje een staatsman, een rechter, een koopman, een kunstenaar en een geestelijke. Deze aanpak verraadt natuurlijk de Encyclopedist die hij in hart en nieren was. Zijn opsomming is een verborgen inhoudsopgave die enige orde aanbrengt in wat volgt.

Dit relaas begint met zo'n prachtige, halfserieuze en driekwart-speculatieve zin, waarop Diderot het patent lijkt te hebben: “Men zou zeggen dat volkeren, die net als andere lichamen de invloed van de middelpuntvliedende kracht ondergaan, voortdurend vanaf de polen naar de evenaar worden getrokken waar ze zich op één strook zouden verdringen, ware het niet dat ze zich door duizend-en-één verschillende oorzaken daarvandaan hadden verspreid en naarmate ze verder uit de buurt raakten steeds langer op een plek bleven.”

Dan geeft hij de lengte- en de breedtegraad van Holland, behandelt de luchtgesteldheid (vochtig en ongezond), en weer (door het rotweer is er weinig verschil tussen zomer- en winterkleding), de rivieren en natuurlijk de polders, de dijken en het dreigende water. En bladzijden lang klinkt heel zacht de echo van die openingszin door in de zich opdringende vraag, welke omstandigheden de Hollander er toch in godsnaam van afhouden zich richting evenaar te bewegen.

Onverschilligheid

Intrigerend zijn de observaties die ook nu nog relevant zijn, over de betrouwbaarheid bijvoorbeeld van Holland bij internationale verdragen, over de hoge belastingen en het dure arbeidsloon. Over het dichte vervoersnet en het feit dat de trekschuiten precies op tijd varen. Over het ook door Voltaire gesignaleerde geringe standsverschil (“sommige bedienden hebben zitting gehad in de Staten-Generaal”). Of over de afkeer van filosofie, in het lemma over kerkelijk gezag nog eens geïllustreerd met een anekdote over de genoemde Boerhaave. Volgens Diderot zou Boerhaave eerst dominee worden. Maar als student hoorde hij op de trekschuit van Leiden naar Amsterdam een aantal predikanten fel van leer trekken tegen Spinoza. Omdat Boerhaave zich er niet in mengde werd hem onverschilligheid verweten. “Daarop”, vervolgt Diderot, “vroeg Boerhaave hun of zij Spinoza gelezen hadden. Ze moesten bekennen dat dat niet het geval was. Boerhaave deed er het zwijgen toe en werd daarop beschuldigd van atheïsme en als gevolg van een extreme lastercampagne uit de kerk gezet. Hij nam het besluit geneeskunde te gaan studeren toen hij een zweer aan zijn dijbeen kreeg en zichzelf daarvoor behandelde.”

De plotselinge overgang van de laatste zin is kenmerkend voor dit reisverslag. Vooral het laatste deel, over enige steden van Holland, springt van de hak op de tak. Het stukje over Den Haag gaat grotendeels over het hottentotschort in Afrika, de Surinaamse sidderaal, de olifantenbalzak en het feit dat roofvogels een gat in hun poot hebben “waardoor lucht naar de longen stroomt en vandaar door de bek naar buiten”.

De informatie over Scheveningen bestaat voor de helft uit het gebruik aldaar, bij zwaar weer olie op de golven te gieten (om het water te bedaren), waarbij plantaardige olie de voorkeur heeft boven dierlijke vetten. Het hoofdstukje Delft bestaat uit één zin: “Ik zal niets over Delft schrijven, behalve dat de prinsen van Oranje er begraven worden.” En in Zaandam dragen vrouwen “kant, ringen, oorbellen, hun benen zijn half bedekt en ze gebruiken rieken om mest om te keren.”