Gerlach

A.B. MULDER-BAKKER e.a.: De kluizenaar in de eik

253 blz., geïll., Verloren 1995, ƒ 39,50

Mondiaal stelt hij als heilige niet erg veel voor, nationaal ook niet. Toch werd hij een van de weinigen naar wie een plaats èn een NS-station zijn genoemd: Sint-Gerlach te Houthem. In dat tot de gemeente Valkenburg behorende dorp in de vallei van de Geul liggen in een van de mooiste barokkerken van Nederland zijn overblijfselen in een schrijn. Men kan er voor een tientje een waxinelichtje opsteken dat negen dagen brandt. Dat is de tijd voor een novene, een negendaagse gebedsoefening voor het verkrijgen van een gunst.

Gerlach, in het Latijn Gerlachus (vroeger Gerlacus), is vooral de heilige van de boeren. Onder zijn sarcofaag in de kerk ligt gezegend zand waarvan de pelgrims kleine hoeveelheden mee naar huis nemen om het in de stallen te strooien ter voorkoming van ziekte onder het vee.

De overlevering wil dat Gerlach van een onstuimig ridder een ingetogen heremiet werd die zich vestigde in een eik te Houthem. Zo heet dan ook het onlangs verschenen boek van A.B. Mulder-Bakker e.a.: De kluizenaar in de eik. Het is een interessant boek vooral omdat er een hoofdstuk in staat waarin aan de hand van beenderonderzoek wordt vastgesteld dat het ging om een man van omstreeks 40 jaar die voor die tijd een behoorlijke lengte had van 1.77 meter en die veel vis at. Of de beenderen inderdaad van Gerlach zijn, is daarmee nog niet gezegd, maar ook in de zogenoemde aan hem bestede vita wordt gesproken van een “rijzige gestalte, met een lange baard die verwilderd tot zijn borst reikte, een groot en krachtig man”.

Het onderzoek is boeiend omdat het iets vertelt van de leef- en voedingswijze van de mensen in de middeleeuwen. Niet is komen vast te staan of de legende, die zegt dat Gerlach brood had dat wegens de versterving deels uit as zou hebben bestaan, op waarheid berust. Gerlach ging dagelijks bidden bij het graf van Sint Servaas in Maastricht, wat heen en terug toch al vlug 20 kilometer was. In Houthem werd hij voor de gelovigen de verpersoonlijking van plichtsbetrachting ten opzichte van de monniken uit het naburige Meerssen, die het wat de zielzorg betrof lelijk bij zouden hebben laten zitten. Uit afgunst over zijn succes onder de gelovigen beweerden deze monniken dat Gerlach in de eik stiekem geld had verborgen. Daarop liet de bisschop van Roermond de boom omhakken zonder evenwel iets van aards slijk te vinden.

God zou via Gerlach vele wonderen hebben verricht. Bijvoorbeeld “hoe dat een vrouwe genesen wiert van een swaer geswel op haer borst”, ja zelfs “van eenen dooden die verweckt wiert”. Die mirakelen evenals een zeventiende-eeuwse levensbeschrijving zijn in oud-Nederlands en in het Latijn opgenomen in het boek. Dat geeft het een extra historische en daarom kostbare dimensie.

Gerlach overleed omstreeks 1165. Op de plek waar hij leefde werd een zusterklooster gesticht, voor veelal adellijke vrouwen die in weelde hadden geleefd en zich vervolgens tot armoede hadden bekeerd. Het klooster werd omstreeks 1795 opgeheven. Zoals volgens Bakker een van de beschrijvers van het leven van Gerlach waarschijnlijk diens heiligheid overdreef zodat Houthem een voor Sint Servaas concurrerende bedevaartsoord werd, zo zal volgend jaar een nieuwe stroom 'pelgrims' naar Houthem op gang komen. Ze kunnen er dan terecht in de gebouwen van het gerestaureerde kasteel annex bijgebouwen die achter de kerk liggen en zich vermeien op het omringende landgoed van 65 hectare. Met de ingebruikneming van kasteel en omgeving zal de Limburgse hotelketen-eigenaar Camille Oostwegel zijn derde kasteel-hotel rijk zijn. Tegelijkertijd zal dan de schitterende barokkerk zijn gerestaureerd.