Een Slovaak is geen Roemeen

LARRY WOLFF: Inventing Eastern Europe

420 blz., geïll., Stanford University Press 1994, ƒ 110,-

De sluier van het communisme is over Oost-Europa weggetrokken, maar nog altijd ziet de gemiddelde Westeuropeaan Oost-Europa als een regio waar het niet pluis is. Men is er arm, het is er onveilig, en over het algemeen weten de Oosteuropeanen maar zelden wat goed voor ze is. Wij, Westeuropeanen, weten dat wel: democratie en verdraagzaamheid, markteconomie en arbeidzaamheid - dat is wat Oost-Europa nodig heeft. In plaats daarvan zien we allerwege autoritaire tendensen, en neiging tot oligarchie. Jammer.

Deze Westeuropese visie, waarin Oost-Europa tegelijkertijd als proeftuin voor onze beste voorstellen en als angstaanjagend rijk van de achterlijkheid optreedt, is niet nieuw. Integendeel, zij is zelfs een Westeuropese uitvinding. Sterker nog, het hele concept van Oost-Europa is bij ons ten tijde van de Verlichting ontwikkeld. En dat concept berust op die curieuze mengeling van bevoogding en verafschuwing, van nieuwsgierigheid en afkeer. Zie de briefwisseling van Voltaire met de Russische keizerin Catharina de Grote.

Briefwisseling

Nimmer hebben ze elkaar ontmoet, de grote filosoof van de Verlichting en de Duitse prinses die door een staatsgreep tegen haar echtgenoot op de Russische troon kwam. Maar nadat Catharina in 1763 een brief schreef om Voltaire te danken voor diens biografie van Peter de Grote, ontspon zich een briefwisseling die tot de dood van de filosoof in 1778 zou duren. Vooral Catharina's militaire campagnes tegen Polen en het Ottomaanse Rijk brachten Voltaire, in zijn Zwitserse toevluchtsoord Ferney, tot groot enthousiasme. Catharina, zo meende hij, zou “de chaos waarin de aarde van Danzig tot aan de monding van de Donau is gedompeld” kunnen 'ontwarren'.

Zootje

En dat was hard nodig, dat ontwarren. Want in de denkers in de 18-de eeuw was Oost-Europa maar een zootje, weliswaar langzaam door reizigers geleidelijk aan beter bekend en in kaart gebracht, maar toch nog duidelijk een deel van de wereld waar enige regelende werkzaamheden op hun plaats konden zijn, in het bijzonder natuurlijk wanneer deze van een verlicht monarch afkwamen. Voltaire putte zich in zijn brieven, behalve in welhaast erotisch aandoende loftuitingen aan het adres van de Russische keizerin, dan ook uit in aanbevelingen, waaronder het advies om de Russische hoofdstad van St. Petersburg naar Constantinopel te verplaatsen. Want het was één van Catharina's voornaamste opdrachten, meende Voltaire, de Turken uit Europa te verdrijven: “Deze barbaren verdienen het te worden gestraft door een heldin, vanwege het gebrek aan respect dat zij tot nu toe vrouwen hebben betoond”.

Voltaire zag er, beroep doend op zijn gevorderde leeftijd, van af zelf de reis naar St. Petersburg te ondernemen. Maar men krijgt ook niet de indruk dat hij een bezoek aan Rusland zag als een voorwaarde voor zijn adviezen aan de keizerin. Anderen, die Rusland wel bezochten, keerden veelal gedesillusioneerd terug. Denis Diderot, schrijver en filosoof, bezocht St. Petersburg bijvoorbeeld in 1773, en de atmosfeer in de Russische hoofdstad mishaagde hem zozeer, dat hij Catharina aanraadde de hoofdstad naar Moskou te verplaatsen, waar hij nooit geweest was.

Casanova bezocht St. Petersburg in 1764. Of hij een avontuurtje met de keizerin in de zin had, is onduidelijk, maar nadrukkelijk onderhield hij haar over de noodzaak van de invoering van de Juliaanse kalender in Rusland. De Markies De Sade daarentegen deed zijn aanbevelingen weer zonder zelf Rusland te hebben gezien. Dat kon ook moeilijk anders, want hij zat gevangen in de Bastille, toen hij voorstelde aan het Ottomaanse Rijk de oostelijke delen van het Russische te schenken, en het Russische Rijk daarvoor compensatie in het Westen te geven.

Larry Wolff heeft de wording van het begrip 'Oost-Europa' in de literatuur van de Verlichting vermakelijk beschreven. Af en toe wekt het boek reminiscenties aan de 'orientalisme-discussie'. Edward Saids postmoderne bespiegelingen over hoe Europa zichzelf een mysterieuze, sensuele Oriënt heeft uitgedacht, lijken Wolffs voorbeeld te zijn geweest. Toch zijn er aanzienlijke verschillen in het achttiende-eeuwse denken over de Oriënt enerszijds en Oost-Europa anderszijds. Waar de Oriënt toch vooral het vreemde, exotische, radicaal andere vertegenwoordigt, zijn er met Oost-Europa afwisselend als angstwekkend en hoopgevend ervaren parallellen bespeurbaar. En er is de wetenschap, of liever gezegd de mythe van de bedreiging uit het Oosten, die eerder - aldus Edward Gibbons aan het eind van de eeuw verschenen standaardwerk - aan het bestaan van het Romeinse Rijk een einde heeft gemaakt.

Exclusief

In zekere zin is het begrip Oost-Europa, als een aanduiding voor een geheel of een bepaalde cultuurkring, tot op de huidige dag een exclusief Westers gegeven. Een, om een willekeurig voorbeeld te noemen, Slovaak kijkt onaangenaam getroffen op, wanneer men hem in één categorie plaatst met Roemenen of, erger nog, Russen. En ik neem niet aan dat veel van de tot voor kort in Oost-Europa bestaande wetenschappelijke instituten voor de vergelijkende studies van de 'socialistische landen' de val van het communisme hebben overleefd.

Het is, met onze twintigste-eeuwse kennis, makkelijk ironiseren over de achttiende-eeuwse beschrijving van Oost-Europa. Over de nog uit Herodotos bekende Scythen bijvoorbeeld, die men overal ontwaart, over het feit dat Hongaars soms als een slavisch dialect wordt beschouwd, of de zogeheten 'Morlacchi' aan de Dalmatische kust die als direct verwant aan de Tataren worden gezien. Toch worden in de vele door Wolff op aanstekelijke wijze navertelde geschriften en briefwisselingen vele kwesties aangesneden die de denkers in Europa nog lang zouden achtervolgen, waaronder de onrustbarende vraag naar waar Europa nu precies ophoudt, en Azië begint.

De denkers van de Verlichting komt in ieder geval de eer toe, tussen Oost- en West-Europa geen muur te hebben willen optrekken, ondanks alle afschuw die men bij een bezoek in oostelijke richting wellicht ondervond. In belangrijke mate hield dat natuurlijk verband met het feit dat de Verlichters hun eigen landen, in het bijzonder Frankrijk, weliswaar oneindig beschaafder achtten dan Polen of Rusland of Servië, maar de politieke toestand in eigen land hen nauwelijks aanleiding gaf tot zelfgenoegzaamheid.

De benadering van Oost-Europa in de achttiende eeuw, hoe potsierlijk soms ook, blijft er in essentie dan ook een van culturele dialoog. Het is pas in de 19-de eeuw dat de Franse Markies de Custine, in een tot in de jaren tachtig van onze eeuw door zowel Zbigniew Brzezinski als Karel van het Reve nog steeds geprezen reisverslag over Rusland, constateert dat er tussen West- en Oost-Europa een 'Chinese muur' van cultuurverschil bestaat, en als hij niet bestaat dan moest hij worden opgericht.

Wel van oorsprong achttiende-eeuws is duidelijk de arrogantie waarmee het Westen Oost-Europa nog steeds benadert. Er loopt een directe draad van de manier waarop Voltaire zich uitput in beleidsaanbevelingen en vermaningen aan de Russische keizerin Catherina de Grote, en de manier waarop Westerse politici of journalisten Sovjet-partijleider Michail Gorbatsjov berispten om het feit dat hij zijn eigen democratiseringsprogramma's niet consequent genoeg uitvoerde, of thans de Russische leider Boris Jeltsin zijn militaire campagne in Tsjetsjenië verwijten.