Een beetje referendum

ZO VOORSPOEDIG als momenteel de begrotingsbesprekingen binnen het kabinet verlopen, zo moeizaam voltrekt zich het gesprek in hetzelfde gezelschap over staatkundige vernieuwing. Verwonderlijk is dat laatste overigens niet. Het debat over staatkundige vernieuwing in Nederland is immers een debat zonder einde. Het duurt al jaren en zal nog jaren duren.

Dat een kabinet waarin een prominente plaats is weggelegd voor D66 dit onderwerp niet laat rusten is begrijpelijk. Geplaatst onder de noemer 'bestuurlijke vernieuwing' zoals in het regeerakkoord is gebeurd, inplaats van 'staatkundige vernieuwing' heeft het thema veel van zijn ideologische lading verloren. De instrumentele benadering staat voorop.

DE WIJZE WAAROP het nieuwe kabinet het thema wenste aan te pakken was in elk geval verfrissend. Er werd gekozen voor een ministeriële commissie, samengesteld dwars door de departementale kokers heen. De bewindslieden van binnenlandse zaken hebben het voortouw, maar verder zitten er ook de ministers Van Aartsen (landbouw) en Pronk (ontwikkelingssamenwerking) in. Dat vergroot de kans op een open benadering. Daar staat tegenover dat over het onderwerp zelf eigenlijk alles al is gezegd. Het is nog geen twee jaar geleden dat in de Tweede Kamer het onder leiding van Kamervoorzitter Deetman gevoerde omvangrijke debat over staatkundige en bestuurlijke vernieuwing werd afgesloten.

Dit geldt ook voor het referendum. Een meerderheid van de Tweede Kamer keerde zich tijdens de 'Deetman-debatten' tegen dit middel om de invloed van de burger op het bestuur te vergroten. Zonder een afspraak over het referendum zou D66 echter niet tot het kabinet zijn toegetreden. Vandaar de mededeling in het regeerakkoord dat de invoering van een correctief wetgevingsreferendum op centraal en decentraal niveau zal worden voorbereid. Dat op deze, op het eerste gezicht concrete tekst het nodige valt af te dingen, is de afgelopen weken gebleken. Het is al weer twee maanden geleden dat minister-president Kok na afloop van de ministerraad meldde dat het kabinet op enkele technische details na klaar was met het voorstel om een correctief referendum in te voeren. De techniek vergt echter veel tijd, want het kabinet is er nog steeds niet uit. Na de referendum-ervaringen van Amsterdam en Rotterdam is de technische discussie meer en meer toch weer een principiële geworden.

IN ESSENTIE gaat het bij het referendum om de vraag of men kiest voor een vertegenwoordigende democratie of een volksdemocratie. Het correctief wetgevingsreferendum dat reeds in 1985 door de commissie Biesheuvel naar voren werd gebracht kan worden beschouwd als compromis tussen deze twee opvattingen. Het primaat blijft liggen bij de vertegenwoordigende democratie, doordat alleen een volksraadpleging mogelijk is over wetsvoorstellen die al door de Tweede en Eerste Kamer zijn bekrachtigd. Aan de andere kant heeft de burger - onder de nodige voorwaarden (minimum aantal handtekeningen om een referendum te organiseren, opkomst) de macht van het laatste woord. Binnen het kabinet is nu aan de orde welke onderwerpen 'niet-referendabel' moeten worden verklaard. Aanvankelijk was de vraag slechts in welk stadium grote infra-structurele werken nog aan een volksraadpleging zouden kunnen worden onderworpen. Maar naarmate er langer over gesproken wordt, neemt het aantal voorstellen om onderwerpen uit te zonderen toe. Zo is bijvoorbeeld geopperd de sociale zekerheidswetgeving van referenda uit te sluiten.

Op deze manier krijgt het correctief referendum alleen nog maar theoretische betekenis. Er zijn veel argumenten tegen het correctief referendum in te brengen. Maar dit instrument introduceren, om het vervolgens uit te kleden, is op een laffe manier 'nee' zeggen. Men kiest of voluit voor het correctief referendum of men kiest er tegen. Dat is duidelijkheid. Een referendum waarin de uitzonderingsbepalingen domineren, zal het wantrouwen van de burgers ten opzichte van zijn bestuurders slechts vergroten.