De mooie, lieve schat is verloofd

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: De filmheld en het gidsmeisje (1968)

Een kelner weet hoe het hoort, is beleefd, kleedt zich netjes en spreekt keurig. Hij doet dat vanwege zijn beroep. Thuis mag hij vuilbekken, in zijn onderbroek rondlopen en onbehouwen schrokken zoveel hij wil.

De kelner kent de eigenaardigheden der rijke mensen, hun zwakheden en lafheden. Maar hij kent ook de lagere klassen, want daar zit hij zelf in.

Wie een sociale roman schrijft, doet er dus goed aan een kelner als hoofdpersoon te nemen, in wie alle standenkwesties tot culminatie kunnen komen.

Simon Vestdijk heeft vaak kelners in zijn romans. Maar Vestdijk schreef eigenlijk nooit sociale romans. Hij kwam zelf uit de lagere middenstand, studeerde wel medicijnen maar moest zijn hele leven hard werken voor de kost.

Vestdijk was gefascineerd door de kelner als mensenkenner, als tegelijk serviel en autoritair persoon. Zijn belangrijkste ober was natuurlijk die uit de De kellner en de levenden, waarin de kelner niemand anders blijkt te zijn dan de zoon Gods, die op de Jongste Dag zorgt dat het allemaal meevalt. Maar in veel andere romans treden kelners als scharnieren op.

De hoofdpersoon van De filmheld en het gidsmeisje is kelner. Maar geen gewone.

Fritz Belluno is kelner in een Italiaans Dolomietenstadje. Beluno is filmgek. Hij gedraagt zich onophoudelijk alsof hij in een film speelt. Vooral de Italiaanse acteur Monterosso verafgoodt en imiteert hij.

Tot honderd jaar geleden was het idee van Plato, dat wat wij ons leven noemen, slechts de schaduw is die een vuur achter onze rug werpt op de muur voor ons, populair. Toen werd de film uitgevonden en iedereen die zijn eigen leven niet de moeite waard vindt, droomt in een film te leven.

Belluno koopt veel dure kleren en gaat zich op zijn vrije avonden in andere hotels door andere kelners laten bedienen.

In het hotel waar hij werkt komt een filmregisseur, die hem wijsmaakt dat Monterosso ook zal komen. De regisseur haalt Belluno over om vrouwen te verleiden en schandelijk te behandelen. Als Belluno hem daar een sappig verhaal over vertelt zal hij hem betalen voor zijn scenario-idee.

Een idioot gegeven, maar vooruit. Eerst zien we hoe de kelner verzint dat hij aan de regisseur een verzonnen verhaal vertelt, hoe hij een Nederlandse toeriste, mevrouw Dijkstra, verleidt. Vestdijk verzon deze verzinning tot de derde macht, omdat we in mevrouw Dijkstra zijn bruid moeten herkennen met wie hij door Noord-Italië reisde.

Maar dan wordt het ernst. Eerst wordt een meisje aangesproken dat heel graag op Belluno's avances ingaat. Zo graag, dat het moeilijk is nog een schandalige behandeling te verzinnen. Maar dat lukt. De regisseur betaalt de kelner er 3000 lire voor (30 gulden?).

Het volgende slachtoffer moet eerst een trouwbelofte krijgen en wordt langs die weg bedrogen.

De ervaren Vestdijk-lezer ziet het al aankomen en inderdaad: onze vuige, karakterloze, misselijke kelner wordt verliefd op een wondermooie, verstandige, rijke en lieve schat. We krijgen voor de twintigste keer het koortsachtige denken van de verliefde jongeman, die met heldenmoed op het meisje van zijn droom afgaat, in het volle besef dat zij hem af zal wijzen. Als zij hem niet afwijst, dan is er toch iets mis met haar, zo weet de lezer dat de wanhopige verliefde redeneert.

In deze korte periode leeft de kelner echt, zonder Plato of film. Belluno denkt dat het meisje hem als kelner te min zal vinden. Zij ontkent dit. De filmregisseur blijkt een anonieme brief over de kelner aan het meisje geschreven te hebben. Zij trekt er zich niemendal van aan. Dus leven ze nog lang en gelukkig? Nee. Het meisje zegt rustig: “Ik heb al een verloofde.” Dit is de grootste anti-climax sinds het niet-doorgaan van de watersnood in Nederland.

De kelner gaat weer in een hotel zich door kelners laten bedienen en zakt weer helemaal terug in een verbeelde filmrol. Nu denkt hij zelfs dat de beroemde Monterosso aan zijn tafeltje komt zitten. Hij wordt gek.

Zoals ik het vertel, zou het een aardig boek kunnen zijn. Het is ook een aardig boek. Maar wij verwachten van Vestdijk meer dan een aardig boek. Belluno is geen Anton Wachter. Het gidsmeisje is geen Juffrouw Lot. De Italiaanse woorden klinken als uit een goedkoop talengidsje.

Er valt incidenteel veel te genieten, zoals deze beschrijving over het hotel van de Vestdijkstra's:

“Wie zich 's morgens in de eetzaal bevond kon boven zich de voetstappen horen, en die van meneer en mevrouw Dijkstra onderscheiden, want de tussenliggende zoldering-vloer was niet meer dan een papierdun vliesje. Dat Europa een luxe hotel moest worden, had men namelijk pas bedacht, toen het gebouw al klaar was. De wc's, een toren van wc's dreigden in elkaar weg te storten, wanneer iemand te hard papier afscheurde of een obstipatielijder stampvoette.”

Homoseksuelen zijn bij Vestdijk altijd sympathiek. In dit boek heeft de hoofdpersoon steeds angst dat anderen, de regisseur, een Duitser, zelfs Monterosso, zelfs hijzelf, 'flikker' zullen zijn. Maar dat is net zo'n doodlopend straatje als het gegeven dat de vriend van de vrouw van de trouwbelofte een bommengooier is, dat de Dijkstra's aan één tafeltje met Belluno eten, dat er politieke spanningen zijn en vele andere veelbelovende zaken, waar we verder niets over horen.