De mobilisering van het wereldbeeld; Altijd met vakantie maar nooit vrij

Met een paar vakanties per jaar zijn we transit-passagiers in ons eigen bestaan geworden. We lijden op zijn hoogst aan overstapproblemen tussen tramlijn begeerte en luchthaven vergeefs verlangen. De minachting voor het hoogseizoen-toerisme is niets anders dan het laatste handvat voor onze reactionaire instincten tegen de massa-maatschappij. Als er al van een vlucht voor de realiteit sprake is, dan geldt die niet alleen voor de campingvlucht naar Rhodos maar ook voor de privé-zweefvlucht boven Machupichu in Peru. Toerisme als moderne socio-pathologie - een beschouwing aan de vooravond van de grote vakantietrek.

Er zijn mensen - en zij zijn niet de minsten - die menen dat de grote ideologieën van deze eeuw voorgoed zijn uitgedoofd in bloed en hubris, die zeker weten dat de beschaafde wereld alle -ismen achter zich heeft gelaten. Zij zijn abuis. Er is een levensleer die gedijt als nooit tevoren; het is een -isme dat onze bestaanswijze beheerst, onze geesteshouding overwoekert en onze blik op de wereld bepaalt. Zijn naam is toerisme.

Wie denkt dat dit ironie is, en dat hier met postmoderne grappigheid en consequentieloze luchthartigheid de nakende vakantie-uittocht wordt geridiculiseerd, heeft het mis. Toerisme is allang niet meer een begrip dat staat voor een uitstapje naar het Schwarzwald, voor volle campings tijdens de bouwvak, voor zweterige discotheken langs de Cost Brava, of voor mountain-biken over de Himalaya. Het is de ideologie van onze collectieve rusteloosheid aan het einde van dit millennium. Wij leven in een tijdperk van de mobilisering van het wereldbeeld - en wij weten het.

Nederlanders gaan verreweg het meest met vakantie van alle Europeanen (uitgezonderd Luxemburgers). Wie cynisch wil zijn, kan zeggen dat zulks geen wonder is in een land met de laagste arbeidsparticipatie ter wereld (amper 59 procent tegen circa 80 procent in Zweden). Maar de historische betekenis van onze beweeglijkheid wordt daarmee niet onder ogen gezien. Elke Nederlander verreist thans per jaar gemiddeld 13.000 kilometer - dat is twintig keer zoveel als een halve eeuw geleden en het resulteert in een totaal van 195 miljard afgelegde kilometers per jaar. De helft daarvan is voor recreatieve doeleinden.

Bijna 70 procent van onze landgenoten vertrekt jaarlijks een of meerdere malen met vakantie; meer dan 65 procent daarvan gaat naar het buitenland, waar bijna 20 miljard gulden gespendeerd wordt. Voor meer dan 3,5 miljoen Nederlanders is een leefpatroon met twee of meer buitenlandse vakanties per jaar heel normaal (het aantal winterse zonvakanties alleen al neemt jaarlijks met 10 procent toe). Onder die 3,5 miljoen zijn lezers van NRC Handelsblad en de Volkskrant alsmede kijkers naar de VPRO overigens sterk oververtegenwoordigd: de hogere welstandsgroepen vieren meer dan tweemaal zoveel buitenlandse vakanties als de lagere welstandsgroepen.

In onze egalitaire samenleving is toerisme zo geworden tot een van de laatste terreinen waar de strijd om status en distinctie wordt uitgevochten. Hoewel de belangstelling in de media anders doet vermoeden, is de elite zich allang aan het terugtrekken van het culturele slagveld: een moderne Nederlander gaat ongeveer drie keer zo weinig naar het theater als een Duitser, hij spendeert ongeveer een derde van de tijd aan het lezen van boeken die zijn ouders daaraan besteedden, en kunstmanifestaties die zich niet als 'festival' in tenten of in de open lucht afspelen, zijn vaak ten dode opgeschreven. Daarvoor in de plaats is sinds 1955 een vernegenvoudiging van café- en restaurantbezoek gekomen en een duizelingwekkende groei van intercontinentale vakantiebestemmingen.

Het is daarom niet zonder maatschappelijke betekenis als iemand van 'reizen' spreekt als hij een recreatief tripje bedoeld, of wanneer een krant van 'reis-katern' rept als het gaat om een toeristische bijlage, of wanneer men een 'doe-reis' boekt in plaats van ledigheid in een leunstoel te zoeken. Een reiziger wil zich erfgenaam voelen van de Grand Tour uit pre-democratische tijden. Hij wil niet weten van de 11,6 miljoen medeburgers die tezamen met hem op pad zijn, en hij wil zeker niet horen dat de aardbol voor hem alleen maar klein lijkt omdat zijn ego groot is. De reiziger probeert landgenoten te ontlopen door te gaan wandelen in de Sahara, door op Walvis-safari te gaan bij de Zuidpool, door deel te nemen aan een georganiseerde rondrit langs tehuizen voor kinderprostituées in Jakarta, of door met een hang-glider van de Kilimanjaro te zweven. Hij tracht zijn zingeving niet te vinden tijdens een mid-week arrangement in een Center-Parcs-bungalow, maar eerder tijdens een haptonomische meditatie-cursus in Tibet. Toeristen, dat zijn de anderen, luidt zijn motto.

Het is allemaal tevergeefs. Of je nu met de last-minute bus naar Lloret de Mar vertrekt, of Cees Nooteboom leest in je zweethut in een Cheyenne-reservaat, niemand kan ontsnappen aan de universele wet dat oog in oog met de olijfolie iedereen gelijk is. De vigerende minachting voor het hoogseizoen-toerisme is niets anders dan het laatste handvat voor onze reactionaire instincten tegen de massa-maatschappij.

Wat dat betreft is er weinig nieuws onder de zon: ook vroeger waren het progressieve geesten die juist op dit gebied de vooruitgang afwezen. Al in 1817 klaagde Lord Byron dat Rome door zijn landgenoten ('een massa hansworsten'), werd 'overspoeld' en dat de aanblik van Zwitserland was 'vergiftigd' door de vele Engelsen die daar over de berghellingen krioelden. Rainer Maria Rilke sneerde dat alle toeristen dezelfde stupide 'Ah-ah-Ah-blik' in hun ogen hadden. En in onze tijd echoën die opvattingen allerwege na. Zoals in de litanieën van de Franse pamflettist Alain Paucard die in zijn Le cauchemar des vacances uit 1993 de vakantie-industrie 'een direct en bewust uitvloeisel' van Leninistische propaganda-tripjes noemt. De Duitse denker Hans Magnus Enzensberger is evenmin origineel als hij het heeft over toerisme als 'de schijn van vrijheid', de 'illusie van de speelplaats' en de 'vlucht voor de realiteit'.

Deze uitingen hebben niets van doen met een beargumenteerde filosofie van de vakantie. Men masseert hier slechts de even diepgewortelde als gerechtvaardigde angst van de leisure class dat zij hun privilege van mobiliteit en vrije tijd kwijt is. Als er al van een vlucht voor de realiteit sprake is, dan geldt die niet alleen voor de campingvlucht naar het strand van Rhodos maar zeker ook voor de privé-zweefvlucht boven Machupichu in Peru; dan geldt die voor ons allen - en voor onze gehele cultuur bovendien. De toerist, dat zijn wij zelf. De consequenties van die vaststelling zijn monumentaler en interessanter dan obligate somberaars als Enzensberger bevroeden.

D e moderne mens kan niet anders dan het leven steeds meer te bezien als een altoos-durende vakantie waarvan hij af en toe even op adem moet komen op kantoor; hij leeft volgens de kalender van long-weekends, atv-weken, verplichte vrije dagen en opfris-verlof; hij is lid van Greenpeace omdat hij schone stranden wil, hij is voortdurend op pad, en beweegt zich even gemakkelijk door exotische oorden als door de virtuele werkelijkheid van de cyberspace. In dit verband sprak de cultuurdiagnost Christopher Lasch over onze geesteshouding als een 'tourist's view of the world'. We zijn transit-passagiers in ons eigen bestaan geworden, en lijden hoogstens aan enige overstapproblemen tussen tramlijn begeerte en luchthaven vergeefs verlangen. Zo raken we al reizend steeds losser van de eigen gemeenschap, die nog maar een van de vele bestemmingen is waar we ons tijdelijk ophouden.

Het voordeel van deze ontwikkeling is een kosmopolitische moraal - het is geen toeval dat juist Nederlanders zich het minst van alle Europeanen schijnen te bekommeren over het opgaan van hun natie in één grenzeloos vakantieland. Het nadeel is een vervagen van de verantwoordelijkheid voor het onderhoud aan eigen wortels en tradities. De zorg voor de samenleving wordt overgelaten aan de reisleider, de overheid, de even anonieme als goedgekapte moedervoedster die glimlachend moet zorgen dat er altijd wat te beleven valt, dat plezier gegarandeerd is, en dat iedereen zich kan vermaken.

Misschien had Baudrillard voor één keer gelijk toen hij opmerkte dat voor Westerlingen tegenwoordig het 'hier' en 'daar' is verdwenen. Evenzeer zijn in het dagelijks leven de grenzen tussen vrijheid en verplichtingen aan het vervagen, zoals in wetenschap en wijsbegeerte de grenzen tussen zin en onzin. Daar is het postmoderne relativisme niets anders dan een 'tourist's view of the world' in intellectuele vermomming. Indien het op de ene bestemming even leuk kan zijn als op de andere, luidt het onuitgesproken adagium van de postmodernisten, waarom zou dan de ene theorie niet even waar kunnen zijn als de andere. Als we de Westerse lagedrukgebieden zo graag verruilen voor de stranden van Bali en Tanzania, waarom zouden we dan niet die koude Westerse logica verruilen voor het warme golfslagbad van een elk-wat-wils wetenschap? Nu we de tropen niet langer bezoeken als kille kolonisator, maar als empathisch reiziger, is het dan ook niet bevrijdend de diversiteit aan mystieke inzichten te stellen boven die discrimerende aristotelische wet van de uitgesloten derde?

Het postmodernisme is zo een typische religie van toeristen. Het celebreert het dogma van het recht op het bepalen van het eigen geluk, het eigen reisdoel, het eigen plekje op het terras, en de eigen deconstructie van de werkelijkheid. Samenleving en wetenschap dienen als niets anders dan een toevallige achtergrond voor het eigen zonovergoten lunchbuffet met tevredenheid. De boodschap dat kennistheoretisch relativisme nonsens is, en dat het uiteindelijk daaruit voortvloeiende moreel relativisme een tragedie, bederft de vakantiestemming slechts. Het klinkt als gemopper van de dominee die het zwembad op zondag dicht wil doen.

De vakantiestemming als levenshouding is overigens niet voorbehouden aan postmodernisten. Het heeft in meerdere of mindere mate bezit genomen van ons allen, de opbouwgeneratie niet uitgesloten. Vroeggepensioneerden, vutters en andere uittreders (bij elkaar meer dan 60% procent van het arbeidspotentieel tussen 55 en 64 jaar) behoren met studenten tot de reislustigste groepen van onze samenleving.

Maar ook als we niet op pad zijn, willen we ons voelen alsof we een uitstapje maken. Niemand die de dramaturgie van het dagelijks leven in Nederland nader bekijkt, zal ontkennen dat de meest kenmerkende verandering in het straatbeeld van de afgelopen dertig jaar de explosieve groei van het aantal terrassen is. Het aantal terrasvergunningen is sinds 1965 vervijfentwintigvoudigd, en dat is nog maar één symptoom van onze obsessieve neiging om de vakantiebestemming permanent te importeren naar de eigen leefwereld. Het is niet te veel gezegd dat men op een zonnige dag de elite herkent omdat zij in zwembroek over straat loopt.

W ie een vrolijke blik op het leven heeft, zal betogen dat dit alles hoort bij een volk dat vanouds de wereldzeeën bevaart en niet bang is voor vreemde plekken en andere mensen. Toerisme kan men opvatten als een teken van beschaving, van massa-beschaving, van éducation permanente in antropologie en zelfverplaatsing. Het is wellicht zoals Isaiah Berlin opmerkte, dat alleen barbaren niet nieuwsgierig zijn naar waar zij vandaan komen, waar ze zijn, en vooral: waar ze heen gaan.

Wie geregeld nachtmerries heeft over de ondergang van het avondland zou kunnen denken dat het bestaan louter nog dient als een middel om de verveling te verdrijven, en dat het reizen daarbij een verslavend roesmiddel is. “When one realizes that his life is worthless”, merkte de Amerikaanse schrijver en criticus Edward Dahlberg ooit op, “he either commits suicide or travels.” Als we deze keuze inderdaad hebben moeten maken, dan is ons antwoord in elk geval overduidelijk: vergeleken met een huidig vakantieseizoen lijken de Volksverhuizingen op niets meer dan het weekendverlof van een heremieten-klooster.

Is het toerisme als moderne socio-pathologie ooit nog terug te dringen? Wel als het aan de Raad voor het Natuurbeheer ligt. Die deed in het recente rapport Gaan we te ver? de dringende aanbeveling dat Nederlanders minder milieubelastende vlieg- en autoreizen moesten maken. De adviesraad betreurt het zeer dat toerisme zo'n onvervreemdbaar onderdeel van onze cultuur is geworden. “Moeten we alles wel zonodig zien en moeten we alles doen wat ons aanlokkelijk en interessant lijkt?”, klinkt de bijna wanhopige vraag.

Het antwoord is natuurlijk: ja. Dit apocalytische rapport is typisch geroep in de woestijn (waar ongetwijfeld net een groep interline-skaters op veertiendaagse cross-Sahara trektocht joelend langskomt). Natuurlijk wil geen enkele toerist weten dat iemand die van Amsterdam naar Athene vliegt, een hoeveelheid energie verbruikt waarmee een goed geïsoleerde eensgezinswoning een jaar lang verwarmd zou kunnen worden. Net zomin als iemand wil weten dat zijn alleswerend superjack van GoreTex ter waarde van ƒ 1000,- evenveel waard is als vier jaarinkomens van de Srilankaanse koopman die zo'n pittoresk plaatje oplevert. Toerisme is geen speurtocht naar de werkelijkheid, en zelfs al zou men per ongeluk daarop stuiten, is er geen enkele reden aan te nemen dat die interessant is.

Beter dan de Raad voor het Natuurbeheer begreep Friedrich Nietzsche de werking van de menselijke psyche: zitvlees is de grootste zonde tegen de heilige geest, stelde hij vast, vlak voordat hij vanwege een dwangbuis het reizen er aan moest geven. Hij had gelijk. Toerisme is de laatste vluchtheuvel voor de menselijke autonomie. Dat wist ook Jorge Luis Borges, die aan het eind van zijn leven ging reizen alsof zijn toegang tot de hemel ervan afhing. In een alomvattende tour d'horizon bezocht hij Japan, Mexico, Athene en Rome. Onderwijl was hij stekeblind. Hij had allang geconcludeerd dat iedere toerist meer ziet dan hij kan onthouden maar ook meer onthoudt dan hij kan zien.

De kern van de zaak is dat wij toeristen zijn in het diepst van onze gedachten. “Man”, schreef Shelley in Prometheus Unbound “... A traveller from the craddle to the grave / Through the dim light of this immortal day.” Als we de hoop willen volhouden iets van het bestaan te begrijpen, en een glimp van de strevingen en hartstochten van onszelf en de medemens te doorgronden, dan kunnen we niet langer terugdeinzen voor de beantwoording van de belangrijkste der existentievragen: waarheen gaan we?

Ik zou zeggen: dit jaar naar het Date Line Hotel op het eiland Tonga in de Stille Oceaan. De enige vier-sterrren lokatie waar je vanuit je kamer steeds weer naar gisteren kunt lopen. Daar ligt de bar en de hoop dat het nooit meer morgen zal worden.