De lokroep van de moderne sirenen

MICHAEL GROSS: Model. The ugly business of beautiful women

524 blz., geïll., William Morrow and Company Inc. 1995, ƒ 49,25

Ze heten Christy, Naomi, Cindy, Claudia en Linda. Ze verschijnen op de covers van Vogue en Time, schrijven boeken, openen restaurants, trouwen met popsterren, figureren in films en video-clips, hebben een eigen tv-programma en worden tot vervelens toe achtervolgd door de boulevardpers - ze zijn, kortom, zo beroemd dat ze geen achternaam nodig hebben. Ooit waren fotomodellen anonieme gezichten in een damesblad, nu zijn het megasterren met de glamour van een Hollywood-actrice. Ze hebben deze status overigens niet bereikt vanwege hun bijzondere talenten, maar simpelweg door de economische vraag naar hun ellenlange benen en sensuele pruillippen. De huidige topmodellen zijn onontkoombaar: of we het willen of niet, we worden gemiddeld twaalf keer per dag - van CNN tot de supermarkt - verleid door deze moderne sirenen.

In onze postfeministische tijd heeft het verschijnsel van de 'supermodels' iets paradoxaals. Ze belichamen zowel het traditionele seks-symbool als de volledig zelfstandige en geëmancipeerde vrouw. Enerzijds zijn ze de pin-ups van de jaren negentig, die los van elke modetrend in posterformaat aan de muren van studentenkamers hangen. Anderzijds zijn topmodellen tegenwoordig vrouwelijke industrietjes, die hun schoonheid vanuit een puur zakelijk oogpunt uitbaten, en advocaten, accountants en bodyguards in dienst hebben.

Het Amerikaanse model Cindy Crawford omschrijft zichzelf als 'de manager van een BV met één produkt, Cindy Crawford, dat iedereen wil hebben.' Met haar show op MTV, haar aerobic-video (waarvan in de eerste maand na verschijnen twee miljoen exemplaren werden verkocht), haar intelligentie (Cindy studeerde scheikunde) en haar zucht naar succes is ze voor veel meisjes hét symbool van de vrouw die het gemaakt heeft. Geen wonder dat volgens Der Spiegel 80 procent van de Westerse vrouwen fotomodel-zijn momenteel ziet als het droomberoep. Geef ze eens ongelijk: vrouwen als Cindy oefenen het enige honorabele vak ter wereld uit waarin ze onvoorstelbaar veel meer verdienen dan hun mannelijke collega's. Volgens de laatste tellingen wordt het inkomen van 's werelds best betaalde model, Claudia Schiffer, nu op 12 miljoen dollar per jaar geschat. Daarmee doet ze niet onder voor het salaris van een hoog ingeschaalde captain of industry.

Vlees

“Het vlees en beenderen van deze vrouwen zijn een aardige duit centen waard,” concludeert de Amerikaanse journalist Michael Gross in zijn recent verschenen Model: The ugly business of beautiful women. Zijn poging tot serieuze analyse is geschreven vanuit de vaststelling dat in de modellen-industrie twee werelden bestaan. Slechts weinigen bereiken het walhalla; daaronder woekert een jungle die voornamelijk bevolkt wordt door op seks en geld beluste agenten en playboys. Deze ranzige onderkant is niet meer en minder, meent de auteur, dan een ordinaire vleesmarkt, waarin schimmige geldtransacties, verkrachtingen van minderjarigen, drugs, moord en andere onaangename intermenselijke activiteiten elkaar afwisselen.

En Michael Gross kan het weten. Als journalist schreef hij eerder voor Esquire, de New York Times, Vanity Fair en New York magazine scherpe artikelen over 'de handel in mooie mensen'. Hij kent de modellen-wereld van boven tot onder. De afgelopen tien jaar sprak hij met een duizelingwekkend aantal modellen, agenten, ontwerpers, modefotografen en redacteuren - van 'the godmother of modelling' Eileen Ford tot ontwerper Azzedine Alaïa, van Vogue-hoofdredactrice Anna Wintour tot supermodel Christy Turlington. Bijna allemaal komen ze nu in zijn boek aan bod, alleen een paar sleutelfiguren (fotografen David Bailey, Irving Penn en Steve Meisel en modellen Twiggy, Jean Shrimpton, Naomi Campbell en Linda Evangelista) weigerden resoluut elke medewerking.

Model is een ontluisterende eye-opener tussen de vele nietszeggende platenboeken waarin de gelaatstrekken van topmodellen in glansdruk worden gecelebreerd. Gross richt zijn pijlen allereerst op Milaan, volgens hem in de jaren zeventig en tachtig het purgatorium in modellen-land. In de mode-hoofdstad van Italië werden piepjonge modellen in hotels ondergebracht met veelzeggende namen als 'Fuck palace' en 'Principessa Clitoris'. Hier hing de geur van makkelijke seks, van financiële fraude en van maffia-infiltraties. Een modellenbureau werd simpelweg door de concurrentie met dynamiet opgeblazen. En het was hier, dat model Terry Broome onder de invloed van coke een verslaafde Milanese playboy neerschoot omdat hij rondbazuinde dat zij teveel van drugs en orgieën hield.

Schandalen

Niemand zal ontkennen dat de modellen-industrie een opmerkelijke verandering heeft ondergaan sinds 1923, toen de in-keurige werkloze gentleman-acteur John Robert Powers het eerste agentschap in New York oprichtte. Dat was nog de tijd dat naamloze, beschaafde 'American Beauties', gekleed in twinset, parelketting en witte handschoenen, de aandacht van de consument moesten trekken voor kleding, en niet voor zichzelf. Trefzeker omschreef een van de beroemdste modellen uit die beginperiode, Lisa Fonssagrives, zichzelf als 'klerenhanger'.

In 1935 had Powers 200 modellen in zijn bestand. Sommige daarvan, zoals Barbara Stanwyck, Lucille Ball, Ava Gardner, Paulette Godard en Lauren Bacall, braken later door in Hollywood. Andere 'Powers girls' verdienden vijf dollar per uur, werkten tot hun dertigste en trouwden daarna, als ze geluk hadden, met een rijke echtgenoot. Het gerucht ging destijds dat miljonairs (net zoals de latere rocksterren dat volgens Gross deden) vaak modellenboeken doorbladerden op zoek naar een geschikte partij.

In het kielzog van Powers succes volgden meer bureaus. Deze werden bemand door minder frisse figuren zoals Harry Conover en Walter Thornton, die zichzelf 'the merchant of Venus' noemde. Met de komst van Thornton en Conover maakten ook de eerste playboys hun entree in de modellen-wereld (onder wie Robert en Ted Kennedy), evenals de eerste schandalen.

Het absolute dieptepunt werd volgens Gross bereikt met de generatie van Riccardo Gay, Gérald Marie en John Casablancas. De laatste schiep in de jaren zeventig 's werelds belangrijkste agentschap (Elite) maar sliep tegelijkertijd met letterlijk alle modellen van zijn stal - hoe jonger hoe beter. Sommige van Casablancas' generatie-genoten deinsden er zelfs, zo valt in Model te lezen, niet voor terug hun werkneemsters eenvoudigweg te dwingen tot seks, danwel te drogeren en te verkrachten.

De afgelopen twintig jaar is het modellenwerk steeds agressiever geworden, maar ook lucratiever. Dat resulteerde onder meer in een flinke toename van de jaarlijkse inkomsten van de agentschappen, die 20 procent van de dagprijs van het model vangen en nog eens 15 procent van de klant. Een agentschap als Elite heeft tegenwoordig een jaaromzet van een slordige zeventig miljoen dollar. Maar de agenten zijn niet alleen geobsedeerd door geld, onderstreept Gross keer op keer. Macht over vrouwen is nog belangrijker. Of zoals een agent het omschrijft: “Veel van hen hebben last van almachtswaan, van een complexe de roi.”

Immorele agenten zijn overigens niet de enige mannen waaronder de meisjes lijden. Een aanzienlijk deel van Gross' boek gaat over modellen die door hun vriendjes en partners worden geslagen, belazerd en bestolen. De Amerikaanse ontwerper Bill Blass meent zelfs dat modellen 'een aangeboren slechte smaak op het gebied van mannen hebben.' Tragedie na tragedie stapelt zich op in Model. Neem het levensverhaal van het wereldberoemde model Dovima, die na een jetset-bestaan vol drank en onfortuinlijke relaties eindigde als serveerster in een smoezelige pizzeria. Bij haar dood had ze nog maar 100 dollar over van het fortuin dat ze ooit verdiend had. Of wat te denken van Emanuelle Dano, die werd vermoord door haar aristocratische vriendje? Bij de lijkschouwing bleek dat een van haar oogballen was uitgetrokken, haar benen gebroken en haar gezicht vol brandsporen zat van sigaretten.

Roddels

Op dit punt in Model begint de lezer genoeg te krijgen van al die deprimerende verhalen. Want ondanks alle details en cascades van namen ontstijgt het boek op deze pagina's ternauwernood het niveau van een roddelrubriek. Dan valt het ook op dat Gross niets vertelt over de alledaagse zorgen van modellen, zoals hun spijsverteringsproblemen of hun ervaringen met plastische chirurgie en zwangerschap. Al helemaal gaat hij voorbij aan allerlei cultuur-sociologische aspecten van de modellen-industrie, zoals de toename van erotiek in de reclame, het veranderende schoonheidsideaal in de Westerse consumptie-maatschappij, het voyeurisme van vrouwen voor de perfecte lijven van andere vrouwen, en de veelvuldige manipulatie van foto's met behulp van computerprogramma's.

Ook is het teleurstellend dat Gross voornamelijk Amerikaanse fotomodellen interviewt, zodat de Parijse couturiers en hun mannequins (zoals Praline en Victoire) nauwelijks aan bod komen - op het grappige feit na dat Christian Dior zijn modellen vond in het bordeel dat hij vaak bezocht.

Toch is Model waarschijnlijk het beste boek dat thans beschikbaar is over de miljoenenhandel in vrouwelijk schoon. Bovenal schetst het een realistisch en somber beeld voor aspirant-Naomi's en Claudia's. 'Normaal hoor je alleen de succesverhalen,' waarschuwt topmodel Veronica Webb in Model, 'Al die kleine meisjes in Iowa en Kansas denken daarom dat ze makkelijk miljonair kunnen worden. Mijn advies is echter: You're better off buying a lottery ticket.'