Bisschop Muskens over verzoening met voormalige kolonie; 'In Soekarno eren we Indonesische volk'

BREDA, 8 JULI. “Als je wilt bereiken dat volkeren zich met elkaar verzoenen, kun je niet voorkomen dat je over een heleboel pijn en verdriet stapt. Maar de verklaring van de Nederlandse bisschoppen naar buiten brengen is belangrijker dan de ruzie die er wellicht over zal ontstaan.” Zo reageert bisschop dr. M. Muskens van Breda, sprekende namens de Nederlandse Bisschoppenconferentie, op de kritiek uit veteranenkringen op het standpunt van de bisschoppen dat “Nederland te lang het onafhankelijkheidsstreven van het Indonesische volk heeft miskend en onderdrukt” en dat het moment van verzoening nu is aangebroken.

De brief werd eergisteren uitgegeven aan de vooravond van de herdenking in Indonesië van het vijftigjarig bestaan van de onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945 en van het komende bezoek van koningin Beatrix aan de voormalige kolonie.

In een nadere toelichting zei bisschop Muskens dat “een hoge Nederlandse autoriteit, de minister-president of een minister, eens plechtig zouden moeten stilstaan bij het standbeeld van Soekarno en Hatta in Jakarta”. Generaal b.d. T. Meines, voorzitter van het Veteranenplatform, zei Muskens' voorstel 'waanzin' te vinden. Brigade-generaal b.d. R. Boekholt van het Indisch Platform vond het 'onbegrijpelijk'. “Wat Soekarno ten tijde van de oorlog met Japan heeft gedaan is niet zo fraai. Hij was medeverantwoordelijk voor het ronselen van de romusha's, de uit Indonesië afkomstige slaven, die voor de Japanners aan het Birma-spoor moesten werken. Later was hij”, aldus Boekholt, “natuurlijk ook niet onze vriend maar we hebben hem nooit veroordeeld en waarom moet er dan nu eerherstel komen?”

Muskens bracht in de jaren zeventig acht jaar in Indonesië door. Hij schreef ook een proefschrift, dat als boek in vier talen uitkwam, over de Indonesische strijd om onafhankelijkheid. In de eetkamer van zijn huis in Breda zegt hij: “Jammer dat beide heren mijn nuanceringen niet hebben gelezen en ook kennelijk de verklaring van de bisschoppen niet hebben gezien toen ze met deze uitspraken kwamen. Onze verklaring is woord voor woord gewogen met de hulp van adviseurs, want het is in Nederland moeilijk over de Indische kwestie iets naar buiten te brengen zonder dat het opschudding verwekt. Onbegrijpelijk hoe men elkaar be- en veroordeelt in dit labyrint van meningen.”

Muskens zei donderdag dat “een kerkelijke spijtbetuiging al even weinig zin heeft als het houden van een nationaal debat”. Hij achtte het ook niet gewenst dat de regering excessen van de Nederlandse militairen tijdens de politionele acties alsnog officieel veroordeelt, want dat zou “alleen maar oude wonden openrijten”.

Op de vraag of, gesteld dat een Nederlandse gezagsdrager een wijle in eerbiedige stilte bij het standbeeld van Soekarno zou stilstaan, niet algemeen erkend zal worden als een schuldbekentenis en daarmee ook niet oude wonden zullen opengaan, zegt Muskens: “Dat zal best kunnen. Toch zouden we zeer blij zijn met dit gebaar, nu of op een later tijdstip. Een symbolisch gebaar zegt vaak veel meer dan woorden. Voor een Indonesiër betekent zo'n gebaar heel veel. Wij vinden dat verzoening een evangelische plicht is. Dat wil niet zeggen dat we alles goedkeuren wat Soekarno heeft gedaan, maar we kunnen om zijn persoon niet heen omdat hij voor het Indonesische volk het symbool is van de onafhankelijkheid.”

In het Oostjavaanse dorpje Blitar, zo memoreert de Bredase bisschop, ligt Soekarno naast zijn moeder begraven. Op zijn graf staat de tekst: 'Soekarno de tong van het Indonesische volk'. “Hij was de stem van de generatie van 1945, de mensen die voordat de oorlog met Japan begon, door de machthebbers werden genegeerd in hun hang naar onafhankelijkheid en die we in onze verklaring dan ook speciaal op het oog hebben. Via de persoon van Soekarno moet daarom een gebaar van verzoening worden gemaakt, want het was Soekarno die de Indonesiërs hun indentiteit gaf. Hij was de magiër van de eenheid. Hij wordt als zodanig aanbeden. Een eerbetoon aan Soekarno is een eerbetoon aan het Indonesische volk”, aldus Muskens. “Ik hoop dat de Nederlandse autoriteiten vroeg of laat iets met deze suggestie zullen doen”, zegt Muskens, waarna hij er aan toevoegt: “Maar misschien zijn we ook wel een roepende in de woestijn.”

Muskens acht het een omissie dat de bisschoppen in hun verklaring niet reppen over het feit dat van de zijde van het Nederlandse episcopaat tijdens de politionele acties nooit een woord van afkeuring over het onderdrukken van het Indonesische vrijheidsideaal is gezegd. “De situatie van de r.k.-kerk in Indonesië was toen nogal ambivalent, want de benoemingen vielen onder de jurisdictie van Sydney”, maar, zegt hij, “we hadden daar nu misschien toch wel iets over moeten zeggen. Dat is evenwel volstrekt vergeten.”