Banda

JOOP VAN DEN BERG: Het verloren volk. Een geschiedenis van de Banda-eilanden

144 blz., geïll., BZZTôH 1995, ƒ 24,50

“Insulinde”, zo schreef Multatuli eens, “is een prachtig paard waarop een dief zit.” Dat was een onaangename opmerking maar gelijk had hij wel. De geschiedenis van de Banda-eilanden in de Molukse archipel laat daar weinig twijfel over bestaan. In 1750 kocht de VOC er voor 45 cent een pond foelie, dat op de Europese markt maar liefst ƒ 6,40 opleverde. De Banda-archipel was met zijn monocultuur van nootmuskaatplantages een wingewest bij uitstek.

In zijn boek Het verloren volk. Een geschiedenis van de Banda-eilanden schetst de journalist Joop van den Berg de feodale verhoudingen die deze koloniale economie in het leven riep. In 1626 werd de archipel met een totale oppervlakte van slechts 42 vierkante km verdeeld in 68 nootmuskaatperken, die door de VOC verpacht werden aan gewezen compagniesdienaren en oud-soldaten.

Deze opzichters, perkeniers genaamd, kregen ieder een aantal slaven toegewezen, waarbij als standaard gold per honderd bomen één slaaf. De perkeniers waren verplicht tegen een vaste prijs hun oogst af te staan aan de Compagnie.

De VOC ging tegen het einde van de achttiende eeuw failliet, maar het paard hobbelde voort. In de negentiende eeuw werd het bereden door de Nederlandse staat die de teugels niet minder kort hield. De overgang van het VOC-tijdperk naar het negentiende-eeuwse staatskolonialisme was, zo maakt de geschiedenis van de Banda-eilanden nog eens duidelijk, in economisch opzicht alleen in naam een verandering. In plaats van aan de VOC dienden de Bandanese perkeniers hun oogst voortaan volledig af te staan aan de Nederlandse Handelsmaatschappij, die de overzeese handel van de Nederlandse staat bestierde. Pas het jaar 1864 bracht verlossing uit de knellende greep van het staatsmonopolie. Gedurende een korte tijd, tot ongeveer 1880, stroomde nu de enorme winst die de verkoop van nootmuskaat en foelie op de vrije markt opbracht rechtstreeks in handen van de perkeniers. Toen tegen het einde van de negentiende eeuw de concurrentie van andere nootmuskaatproducerende gebieden toenam, was de Bandanese belle époque al weer tempo doeloe.

Van den Berg heeft zijn studie geconcentreerd rond de korte periode van rijkdom en weelde, die, na twee eeuwen van stilstand, zorgde voor een zekere sociale dynamiek. De Banda-eilanden onttrokken zich nu in hoog tempo uit hun eeuwenoude isolement. Van buiten stroomden lieden toe die in de rijkdom van de specerijhandel wilden delen en de oude perkeniers, plotseling nouveaux riches, stuurden hun kinderen naar scholen op Java. In plaats van door de perkhorige slaven werd de nootmuskaat geplukt door Javaanse koelies die overigens niet veel beter af waren dan hun voorgangers.

Al deze ontwikkelingen laat Van den Berg de revue passeren zonder dat ze boven een lokaal-Bandanees niveau worden uitgetild. De opheffing van het specerij-monopolie in 1864 bijvoorbeeld moet gezien worden tegen de achtergrond van de liberale koerswijziging in de koloniale politiek die rond 1870 uiteindelijk leidde tot de afschaffing van het Cultuurstelsel. Van den Berg onthoudt de lezer dit soort relevante informatie.

Dat is jammer, want de geschiedenis van de Banda-eilanden biedt een staalkaart van het Nederlandse kolonialisme. Tussen de hardvochtigheid van Jan Pietersz. Coen, die in 1621 de oorspronkelijke bevolking liet uitroeien, en de kortzichtigheid van het Nederlands-Indisch gouvernement, dat in 1937 de Indonesische nationalisten Shahrir en Hatta op Banda-neira interneerde, liggen enkele belangrijke thema's uit de koloniale geschiedenis voor het oprapen. Het is alsof Van den Berg deze bepalende thema's niet als zodanig heeft herkend. De gewelddadige onderdrukking door de VOC. Het ontstaan van een Indo-Europese cultuur, de slavernij, de economische exploitatie door het moederland, de overgang naar vrij ondernemerschap en het Indonesisch nationalisme - Van den Berg stipt het stuk voor stuk aan, maar laat de kans onbenut de geschiedenis van de kleine eilanden te plaatsen in het grote decor van het Nederlandse kolonialisme.

    • Harm Stevensharm Stevens