Twaalf jaar geestelijke groei, een jaar in de studio; De wederopstanding van de funkgroep War

Het discotijdperk maakte een einde aan het succes van War, de Californische groep die begin jaren zeventig de soul verrijkte met psychedelische invloeden. Dertien jaar later zijn ze bezig met een comeback en treden ze op tijdens het North Sea Jazz Festival. “De groep moet nog altijd in staat worden geacht om de temperatuur in de kille Statenhal omhoog te stuwen.”

Concert: 15 juli Statenhal, Den Haag. War: Anthology 1970-1994 is uitgebracht door Avenue/Rhino Records (R2 71774). De nieuwe cd Peace Sign verschijnt op Avenue/BMG (74321 29766).

Het was al laat en de opnamesessie wilde niet erg vlotten. De toetsenman slaagde er maar niet in om het loopje dat de gitarist even daarvoor had verzonnen, snel genoeg mee te spelen. De zanger verloor zijn geduld. Wat moest hij daar eigenlijk, zo'n bleke Engelse oproerkraaier temidden van een hippe funkband uit Los Angeles? De opnametechnicus riep door de intercom dat het tijd was voor een pauze. Muzikanten verdrongen zich in de controlekamer want, hoe beroerd ze ook gespeeld hadden, ze móesten horen hoe de muziek op de band stond. Ze waren moe en ze waren stoned. Plof, daar viel een literfles goedkope rode wijn over het mengpaneel.

Het scheelde maar weinig of de hel brak los. Boze mannen met Afrokapsels vlogen elkaar in de haren, want wie was er in godsnaam zo stóm geweest om een fles wijn tussen al die dure apparatuur neer te zetten? Met het defecte mengpaneel viel niets meer te beginnen. “Wacht,” zei de zanger, “laten we deze toestand in ons voordeel benutten. Hier kunnen we vanavond niet meer werken. We gaan naar een andere studio en we schrijven er een nummer over. Volgens mij wordt het een wéreldhit.”

Eric Burdon kreeg gelijk, want Spill The Wine werd de eerste grote hit voor de groep War, in een gelegenheidscombinatie met de Engelse rockzanger. De zwoele vrouwenstem op het soulnummer was afkomstig van een zekere Carmen, een schoonheidskoningin uit Puerto Rico die toevallig in de buurt was. Succes in de popwereld, zo bleek weer eens, hangt van toevalligheden aan elkaar. War werd beroemd met een combinatie van soul en funk met jazz- en latin-invloeden. Van een ereplaats in de galerij der pophelden wist Burdon zich al eerder verzekerd, want als zanger van The Animals had hij in 1964 zijn naam gevestigd met een rauwe versie van de traditionele folksong 'House Of The Rising Sun'. De Engelse popscene begon hem spoedig te vervelen en na het veelzeggende 'We Gotta Get Out Of This Place' zocht hij zijn heil in Californië. Op het legendarische Monterey Pop Festival hadden Eric Burdon & the Animals ingehaakt op de flower power-beweging, die in de zomer van 1967 vaste vormen begon aan te nemen. Het nummer 'San Franciscan Nights' werd opgedragen aan de 'beautiful people' en Burdon zong over psychedelische visioenen en engelen op Harley Davidsons.

Als blanke Europeanen met een voorliefde voor rhythm & blues gingen Eric Burdon en de Deense harmonicaspeler Lee Oskar samen op zoek naar de bron. In Los Angeles troffen ze het soul-orkest The Nightshift in een club, waar ze diep onder de indruk raakten van het gemak waarmee deze zwarte muzikanten hun repertoire van gangbare soulhits mengden met jazzinvloeden en latin-percussie. De samenwerking was snel beklonken en als Eric Burdon And War maakten ze twee elpees waarop de soulmuziek werd binnengevoerd in het psychedelische tijdperk. Vooral op The Black-Man's Burdon uit 1970 ontpopte Eric Burdon zich als de witte neger die hij altijd al had willen zijn, en hield hij een vurig betoog over de bezieling van de zwarte muziek in de rockende gospelsong 'They Can't Take Away Our Music'. Optredens ontaardden in urenlange jamsessies, waarbij War een solide basis legde voor Burdons geïmproviseerde spraakwatervallen.

Eric Burdon bleek niet het betrouwbaarste groepslid, als het er op aan kwam om op tijd bij optredens en opnamesessies te verschijnen. Midden in een Europese tournee verdween hij zelfs helemaal, zodat War zich genoodzaakt zag om toetsenman Lonnie Jordan en gitarist Howard Scott als leadzangers naar voren te schuiven. Toen de in die opstelling gemaakte plaatopnamen succesvol bleken, ontwikkelde War zich op eigen kracht tot een van de belangrijkste soulgroepen van de jaren zeventig. Hits als 'Slippin' Into Darkness' en 'The Cisco Kid' definiëerden de beheerst schuifelende soul-sound van het tijdperk van schoenen met bolle neuzen, overhemden met lange puntkragen en felgekleurde broekpakken met wijde pijpen. In 'The World Is A Ghetto' vertaalden de groepsleden hun afkomst uit de explosieve zwarte wijk Compton in een universeel geldende songtekst, en met 'Low Rider' brachten ze een luchtige ode aan de kleurrijke latino's in hun laag hangende raceauto's die een fontein van vonken achterlieten als ze door de straten van Los Angeles scheurden. De songs appelleerden aan een gevoel van rebellie, zoals dat nog steeds aanwezig is bij de jeugd van de achtergestelde wijken van Los Angeles. Geen wonder dat War tot de meest gesampelde bands hoort in de huidige hiphopmuziek, en dat gangsta-rappers als Ice-T, Ice Cube en 2Pac schatplichtig aan hen zijn.

Disco

Hoewel War nooit formeel ophield te bestaan, maakte het discotijdperk een einde aan de lange reeks millionsellers die de groep op haar naam schreef. Het laatste grote succes werd behaald met de verzamelplaat Platinum Jazz met merendeels instrumentale muziek, die in 1977 verscheen op het gerespecteerde jazzlabel Blue Note. Het simplisme en de ritmische armoede van de discomuziek lagen niet in de lijn van de steeds complexere jams waarin War excelleerde, en een knieval naar de commercie wilden deze door de wol geverfde muzikanten niet maken.

Een hernieuwde golf van belangstelling voor de 'klassieke' soulmuziek van War stamt van enkele jaren terug, toen rappers als Kid Frost, Latin Alliance en Hispanic MC's vonden dat de invloedrijke groep een muzikaal eerbetoon verdiende. In 1992 verscheen de cd Rap Declares War, waarop hedendaagse hiphop-artiesten lieten horen hoezeer de muziek van War tot hun verbeelding sprak. Vorig jaar bracht het in historische heruitgaven gespecialiseerde Rhino-label een liefdevol samengestelde Anthology uit op twee cd's met een biografische boekwerkje, en na een lange periode zonder platencontract werd War in de gelegenheid gesteld om weer eens een opnamestudio te boeken. In een min of meer originele bezetting - percussionist Papa Dee Allen overleed in 1988 - maakt War nu een welverdiende comeback. De cd Peace Sign doet in geen enkele opzicht onder voor de warmbloedige latin-soul uit de jaren zeventig en de groep moet nog altijd in staat worden geacht om de temperatuur in de kille Statenhal tijdens North Sea Jazz enkele graden omhoog te stuwen.

De jaren waarin War geen platen uitbracht werden nuttig besteed, verklaarde gitarist Howard Scott enigszins eufemistisch, met 'twaalf jaar geestelijke groei en een jaar in de studio.' War staat nog altijd voor vrede, zegt hij, want in de dreigende sfeer van South Central Los Angeles in de jaren negentig is er grote behoefte aan een constructief voorbeeld voor de jeugd. 'It was a good day in LA', zingt hij in het titelnummer van Peace Sign, terwijl hij hardop droomt dat de bendeleden van de Bloods en de Crips hun wapens aan de kant zullen gooien, omdat ze tot het inzicht zijn gekomen dat ze hun tijd beter kunnen besteden aan plezier maken.