Sting glimlacht nooit; Eigenzinnige geschiedenis van de populaire muziek

Donald Clarke: The rise and fall of popular music. Uitg. Viking, 620 blz. ƒ 71,55

Colonel Tom Parker is de enige Nederlander die in het boek The rise and fall of popular music van Donald Clarke voorkomt. Als illegale immigrant weet hij zich onsterfelijk te maken als manager van Elvis Presley. Hij vervult echter zo'n dubieuze rol bij het financieel uitmelken van Elvis' muziek ten eigen gunste dat hij voor de auteur van het boek het archetype vormt van alles dat verkeerd ging met de popmuziek.

Onder de altijd uitdagende zinsnede The rise and fall of ... schotelt Clarke ons de geschiedenis van de populaire muziek voor. Opvallendste aspect is daarbij natuurlijk dat de auteur de ondergang van de populaire muziek beschrijft. Wie dit anno 1995 durft te doen moet wel een uitgesproken idee hebben over wat populaire muziek is. Met name in het laatste gedeelte van zijn boek komen Clarke's opvattingen hierover ondubbelzinnig naar voren. Daarnaast blijkt dat Donald Clarke ongetwijfeld ook kortzichtig te noemen is wat betreft de waarde van de huidige, volgens hem in verval geraakte, populaire muziek.

Clarke is bekend geworden als samensteller van de bijna 1400 bladzijden tellende 'Penguin Encyclopedia of Popular Music' uit 1989. In eerste instantie lijkt het erop dat Clarke in zijn nieuwe boek niets meer of minder doet dan dit boek opnieuw vertellen, nu echter niet in alfabetische volgorde maar chronologisch. Hij begint in de achttiende eeuw bij de oorsprong van de populaire muziek en volgt met een indrukwekkende waslijst aan feiten, jaartallen, songs, componisten en muzikanten de geschiedenis van de populaire muziek via de negentiende eeuwse minstreel-shows, vaudeville en Tin Pan Alley tot in de huidige eeuw. Hij richt zich daarbij bijna uitsluitend, gezien de ontzaglijke invloed van deze muziek mijns inziens niet ten onrechte, op de muziek uit de Anglo-Amerikaanse traditie. Dat betekent wel dat bijvoorbeeld een groep als Abba, door velen als bijzonder belangrijk gezien voor de populaire muziek, niet in zijn boek voorkomt.

De jaren twintig en dertig van deze eeuw vormen voor Clarke het hoogtepunt in de geschiedenis van de populaire muziek. Componisten als Cole Porter, Irving Berlin, Jerome Kern en vele anderen schrijven de klassiekers die door muzikanten als Duke Ellington, Benny Goodman en Bing Crosby worden uitgevoerd. De zes uitgebreide hoofdstukken die aan deze periode worden gewijd moeten Clarke het gelijk geven van de muzikale vruchtbaarheid van deze jaren. Daarna gaat het volgens Clarke eigenlijk steeds verder bergafwaarts. In de jaren zestig is er weliswaar nog een 'laatste snik van onschuld' met muziek van bijvoorbeeld Smokey Robinson, Sam Cooke en James Brown maar vervolgens is er definitief sprake van 'de heftige dood van popmuziek'. Volgens Clarke zou eigenlijk, net zoals rond 1960 de rock 'n' roll over was, een decennium later ook de rockmuziek zijn einde moeten hebben. Daar was ook alle gelegenheid toe. Brian Jones, Jimi Hendrix, Janis Joplin en Jim Morrison waren dood, The Beatles gingen uit elkaar en andere popsterren bleven hangen in een walm van drugs en alcohol. Het probleem was echter dat de industrie al te veel geïnvesteerd had in het fenomeen rock. Rockmuziek moest dus doorgaan en werd big business.

Natuurlijk kan Clarke geen ongelijk worden gegeven wanneer hij stelt dat de huidige populaire muziek te veel gedomineerd wordt door geld en de daarmee samenhangende dure technologie. De platenproducenten zijn met hun miljoenen verslindende, uitgebalanceerde produkties de nieuwe sterren geworden en voor de platenmaatschappijen lijkt de 'deal' belangrijker dan het produkt. Colonel Parkers zijn er in overvloed. Als, zoals hij in zijn nawoord schrijft, een album van Michael Jackson 15 mijoen exemplaren verkoopt en zijn platenmaatschappij daarmee nog niet uit de kosten is, klopt er inderdaad iets niet in deze bedrijfstak.

Clarke maakt zijn standpunt over de ondergang van de populaire muziek onomwonden duidelijk. Jammer is dat hij daarbij te ver doorschiet in zijn commentaren op de populaire muziek zoals die de laatste twintig jaar gemaakt wordt. Weliswaar zullen veel muziekliefhebbers gniffelen wanneer hij groepen als Bon Jovi en Bananarama en een componist als Andrew Lloyd Webber met de grond gelijk maakt of heavy metal een 'phoney rebellion' noemt. Anders wordt het als hij de aanval opent op popmuzikanten waarvan de authenticiteit en de waarde voor de popmuziek minder omstreden is. Elvis Presley is een 'born loser' en een 'cultural artefact', van Bruce Springsteen noemt hij één nummer ('The River'); 'a not so good song', het laatste nieuws over David Bowie is dat hij weer een nieuw image gevonden heeft en U2 is eigen nummers gaan spelen omdat ze de nummers van anderen niet konden naspelen. Over Prince schrijft hij dat er niets nieuws in zijn muziek is, en 'Sting never smiles,' laat hij daarop volgen. Op het moment dat popmuzikanten gingen denken dat ze kunst maakten was het einde van de populaire muziek in zicht, zegt Clarke.

Clarke heeft een eigenzinnige mening over wat, volgens hem, populaire muziek is. Bij de beschrijving van de vroegere populaire muziek geeft dit niet zoveel problemen maar hoe recenter de muziek is hoe duidelijker de smaak van Clarke wordt. Daar zit ook de moeilijkheid met het boek. Clarke vertelt niet de geschiedenis van de populaire muziek maar hij vertelt de geschiedenis van de muziek die hij populaire muziek vindt. (Zo gaat het laatste hoofdstuk 'Black Music: Everybody's still doing it' voornamelijk over (free)-jazz). De rest van de populaire muziek doet hij af met boude 'one-liners'.

Met The rise and fall of popular music heeft Clarke zeker wat betreft de periode tot aan 1960 een standaardwerk geschreven over populaire muziek. Jammer is bovendien het ontbreken van een songregister en, naast de beknopte bibliografie, een discografie. Zeker nu in het cd-tijdperk veel tot dusver moeilijk verkrijgbaar materiaal opnieuw wordt uitgebracht, zou zo'n lijst het boek aantrekkelijker maken. De laatste 50 bladzijden van zijn boek nemen we dan maar op de koop toe.