Rottenis of rotternij; Twee vertalingen van Baudelaire

Van Baudelaires dichtbundel Les Fleurs du mal maakte onlangs zowel Peter Verstegen als Petrus Hoosemans een Nederlandse vertaling. “Waar Hoosemans een beetje lelijk is, is Verstegen te mooiig. Ik weet niet wat meer vloekt bij Baudelaire.”

Charles Baudelaire: De bloemen van het kwaad. Vertaling en commentaar Peter Verstegen. Uitg. Van Oorschot. Prijs ƒ 59,-; gebonden ƒ 79,-. Charles Baudelaire: De bloemen van het kwaad. Vert. Petrus Hoosemans. Historische Uitgeverij. Prijs ƒ 49,50 (gebonden).

Nu Les Fleurs du mal van Charles Baudelaire, één van de belangwekkendste dichtbundels ter wereld, binnen drie maanden twee maal in Nederlandse vertaling is verschenen, zou je denken dat het feest is in het huis van de herscheppers. Maar zo ruimhartig, of schijnheilig, zijn de twee vertalers niet. Peter Verstegen en Petrus Hoosemans - in die volgorde kwamen ze met hun vertaling - blijken na voltooiing van hun Bloemen geobsedeerd door de mogelijkheid elkaars prestatie belachelijk en verdacht te maken.

Verstegen is een vooraanstaand academicus en een met de Nijhoff-prijs gelauwerd vertaler. Hij richtte het tijdschrift De Tweede Ronde op, en twee jaar geleden opende hij met een polemisch proefschrift frontaal het vuur op de door hem als onzinnig bestempelde vertaalwetenschap. Zijn lijst met vertalingen is aanzienlijk, met recent nog een kloeke bloemlezing uit de klassieke Westerse poëzie door de eeuwen heen en een vertaling van alle sonnetten van Shakespeare. Februari dit jaar verschenen zijn Bloemen van het kwaad, in deze krant gesignaleerd zonder aandacht voor de vertaling.

Van Hoosemans zijn mij geen wapenfeiten bekend. Ik heb ooit bewonderend samen met anderen werk van hem bekeken, en wachtte nieuwsgierig op zijn Bloemen; toen ze eindelijk verschenen, had hij er zeventien jaar aan gewerkt. Hij is niet gestudeerd in wat dan ook, kan niet op een groot oeuvre bogen, heeft, vertelt hij journalisten, geld noch contacten, en een hartsvriend van weleer is overgelopen naar rivaal Verstegen. Dat hij in Groningen woont, ver van de branding, maakt hem, zo lijkt het in zijn eigen ogen, nog zieliger. Hoosemans speelt, kortom, Baudelaire, wie het tijdens zijn korte leven van 1821 tot 1867 ook niet voor de wind ging. Volgens hem verdrong Verstegen hem slinks van zijn plaats bij uitgever Van Oorschot, en voltooide zijn Bloemen in een tiende van de tijd die hij er zelf in stak, zodat het nooit iets kon worden. Andersom verwijt Verstegen hem pas te zijn gaan doorwerken toen hij zijn hete adem in zijn nek voelde. Verder zou de een de ander hebben geplagieerd. In Het Parool mochten ze alles uitleggen, met een frappant verschil in toon. Verstegen ontleent iets superieurs aan zijn gezag, terwijl Hoosemans van machteloosheid weinig meer doet dan blaffen en grappen, al heeft hij een ruiker Verstegen-fouten bij de hand voor het geval iemand geïnteresseerd is, zoals Verstegen zijn trommel met Hoosemans-larie uitnodigend klaar heeft staan.

Bedwelmend

De rel bewijst vooral hoe vertalers meestal op hun kop moeten gaan staan om iets duidelijk te maken over hun werk, al kan wie het Frans beheerst deze keer zelf oordelen, want dat staat in beide boeken keurig naast het Nederlands.

De Hoosemans-uitgave is uiterlijk al opvallend. Op de duur aandoende harde kaft staan vervaarlijke, gifgroene letters. Sla de bundel open en hij blijft openliggen waar je maar wilt, een luxe waar ik van heb genoten. De editie is met zijn 122 Bloemen beperkter dan die met de 153 van Verstegen. Zo ontbreken de zes na de eerste druk in 1859 als 'zedekwetsend' verboden gedichten.

Wat Baudelaireaans, denk je onwillekeurig, als je Hoosemans leest. Bedwelmend, symbolistisch, sterk, maar er is ook wel iets op aan te merken. Het is of hij te veel in zijn verzen stopt. Zijn zinsbouw is nogal eens gewrongen door een ongewone volgorde of doordat kleine zinselementen zoals voegwoorden zijn uitgestoten, en daardoor is het geheel wilder, raarder en stroever dan het origineel. Het naast 'spleen' beroemdste begrip bij Baudelaire is de trits 'luxe, calme et volupté' (PV: 'schoonheid, weelde, zinnelust'; PH: 'orde, weligheid en rust'), uit 'l'Invitation au voyage'. Weelde, kalmte en wellust: dat is precies wat je in zijn poëzie vindt, maar bij Hoosemans ontbreekt de kalmte een beetje. Er is door hem al te driftig gegrepen naar het middel van de alliteratie (door Verstegen trouwens ook) en naar ongewone woorden als 'dierste', 'urne' en 'zuchtig' (= ziekelijk, voor 'pâle'), waardoor soms de gedachte aan een pastiche oprijst. Maar wat een vernuft, anderzijds, op alle bladzijden, en wat een allure bij het bedenken van veelzeggende beelden, zoals die worm die zich, vretend door een lijk, in het Nederlands 'verdikt'.

Tip aan de uitgever: maak ook een pocketeditie, die verfomfaaid mag raken in de rugzak van jeugdige reizigers. Zij zullen elkaar voorlezen, onder de indruk raken, ezelsoren maken bij extra mooie bladzijden. Dat is de beste bestemming voor Baudelaire, meer dan de salontafel, waar wel de vitale decadentie maar te weinig het opstandig vernieuwende van deze springlevende dichter tot zijn recht komt.

Biografie

Verstegens publikatie is duidelijk de vrucht van ervaring op het gebied van ordening en presentatie. Achterin staan, net als bij zijn Shakespeare-sonnetten, commentaren, zodat de lezer allengs een literaire biografie krijgt bijgeleverd. We worden geïnformeerd over 'spleen', over Baudelaire's verdere gedachtengoed en over geliefden als de rijzige Jeanne Duval met haar zware kroeshaar, de zondige Sara bij wie hij zijn syfilis opliep, Madame Sabatier ('celle qui est trop gaie'). Veel namen van door hem geïnspireerde dichters, componisten en schilders (Cézanne) vallen, zodat er een historische dimensie bij de poëzie ontstaat.

De vertaling van Verstegen is knap, soms zelfs subliem. De woordkeus en zinsbouw zijn terecht neutraal gehouden, want Baudelaire is beslist rustiger dan Hoosemans hem interpreteert. Maar toch vertoont ook Verstegens Baudelaire gebreken. Elisie is bij hem strikt gemeden omdat in het Frans alle stomme klinkers meetellen voor het ritme, maar daardoor zijn veel Nederlandse verzen slap geworden en lijkt het of de rek er hier en daar uit is. Dat wordt verergerd door de vele stopwoorden ('toch', 'ook', 'echt') om de zaak kloppend te krijgen, met hinderlijk naklinken van syllabe-getel als gevolg.

Tegen twee eigenaardigheden heb ik ronduit bezwaar. Ten eerste tegen Verstegens veelvuldig gebruik van futloze enjambementen, bijvoorbeeld waar hij een lidwoord ('de') of bezittelijk voornaamwoord ('haar', 'jouw') als rijmwoord gebruikt, waarmee hij tevens een organisch onlosmakelijk zinsdeel uiteenrukt, wat in verband met Baudelaire niet te verdedigen is. Ten tweede staan quasi-poëtische nieuwvormingen als 'schimmenstilte', 'donkerdroef' - dat kan nu eenmaal in het Nederlands - mij tegen. Waar Hoosemans een beetje lelijk is, is Verstegen te mooiig, en ik weet niet wat meer vloekt bij Baudelaire, die nieuwe esthetische normen ambieerde en vond dat het lelijke schoonheid in zich kan dragen. Als je deze vertalingen achter elkaar uitleest, wat niet de bedoeling is, hoopt de ergernis zich op. Na lezing zweefden dagenlang hardnekkig de aanstellerige woorden 'rottenis' (PV) en 'rotternij' (PH) door mijn hoofd, als vertaling voor de bij Baudelaire zo wezenlijke 'verrotting' (pourriture).

Later verdwijnt dat spookbeeld en rest gereserveerde bewondering.

Le Mort joyeux

Dans une terre grasse et pleine d'escargots Je veux creuser moi-même une fosse profonde, Où je puisse à loisir étaler mes vieux os Et dormir dans l'oubli comme un requin dans l'onde.

Je hais les testaments et je hais les tombeaux; Plutôt que d'implorer une larme du monde, Vivant, j'aimerais mieux inviter les corbeaux À saigner tous les bouts de ma carcasse immonde.

Ô vers! noirs compagnons sans oreilles et sans yeux, Voyez venir à vous un mort libre et joyeux; Philosophe, fils de la pourriture.

À travers ma ruine allez donc sans remords, Et dites-moi s'il est encore quelque torture Pour ce vieux corps sans âme et mort parmi les morts!

CHARLES BAUDELAIRE

De blijde dode

Daar waar de aarde vet is, wemelend van slakken, Wens ik een diepe kuil, die ik mijzelf bereid. Waar ik op mijn gemak mijn knoken in laat zakken En, als een haai in zee, rust in vergetelheid.

Ik haat de testamenten en ik haat de graven; Liever dan dat ik vraag om maar één traan van rouw Laat ik, nu ik nog leef, die bloedzuigers van raven Vreten wat mijn onrein karkas nog bieden zou.

O wormen! zwarte vrienden, zonder oog of oren. Zie, vrij en blij wil u een dode toebehoren, Lustige filosofen, zoons van rottenis

Eet zonder wroeging wat nog van mij over is, En zeg mij of er nog meer folter wordt geboden Aan dit oud, zielloos lijf, een dode onder doden!

Vertaling Peter Verstegen

De opgeruimde dode

In moddervette grond, met slakken overdekt, wens ik een diepe grafkuil, door mijzelf gedolven, waar ik kan rusten, met mijn botten uitgestrekt, in de vergetelheid, als haaien in de golven.

Mijn haat wordt door elk graf, elk testament gevoed; eer dan op één gesmeekte mensentraan te hopen, bij leven, vroeg ik raven van mijn laatste bloed de druppels uit mijn vuil karkas te laten lopen.

O wormen, oog- en oorloos! Zwarte metgezellen, zie tot u, vrij en blij, een dode komen snellen; bezield en geestrijk volkje, kroost van rotternij

trek door mijn bouwval, laat het minst berouw niet blijken, en zeg mij of er nog een kwelling is voor mij, voor dit ontzield oud lijf, dat lijk is onder lijken.

Vertaling Petrus Hoosemans